Maar volgens het CBb is herziening in deze procedure juridisch niet mogelijk voor klagers, waarmee de zaak nu definitief gesloten lijkt.
AVG
De vrouw voerde aan dat het College bindende Europese rechtspraak over gegevensbescherming had miskend en dat de accountants tekort waren geschoten in hun controlewerkzaamheden rond een vermeend datalek binnen Manpower Group. Ze betoogde dat er sprake was van structurele schendingen van de AVG en dat de RA’s, die verantwoordelijk waren voor de controle van de jaarrekeningen over de jaren 2014 tot en met 2021, dat hadden moeten constateren en melden.
Accountantskamer
De voormalige medewerkster had eerder tevergeefs geklaagd bij Deloitte zelf, en vervolgens bij de Accountantskamer. Die oordeelde begin 2023 dat de klacht grotendeels niet-ontvankelijk of ongegrond was, met als belangrijkste reden dat de bescherming van persoonsgegevens primair een taak is van het management van de onderneming, niet van de controlerend accountant. Die moet zich volgens de regels richten op de betrouwbaarheid van de financiële overzichten, tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor wetsovertredingen met materiële impact daarop.
Hoger beroep
In september 2024 volgde het CBb die redenering en oordeelde in hoger beroep dat de accountants hun werk zorgvuldig hadden gedaan. Ze hadden weliswaar geconstateerd dat er beperkingen waren in het personeelssysteem – met name rond mutatierechten – maar dat betekende niet automatisch dat zij hadden moeten concluderen dat er sprake was van een AVG-overtreding. Bovendien liep er destijds al een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens, die uiteindelijk niet tot onderzoek overging wegens capaciteitstekort.
Herzieningsverzoek
Volgens de klaagster moet het College de uitspraak van 17 september 2024 herzien, omdat hij bindende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het gebied van het beschermen van persoonsgegevens niet heeft toegepast. Naar haar mening moet het College de structurele schendingen van Verordening (EU) 2016/679 oftewel de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bij haar (voormalige) werkgever alsnog onafhankelijk laten onderzoeken. De werkgever zal in dat kader inzichtelijk moeten maken welke personen of afdelingen binnen de onderneming toegang hadden tot de klaagsters persoonsgegevens. Verder moet het College het handelen of nalaten van betrokkenen opnieuw aan Controlestandaard 250 toetsen. Ook wil de klaagster dat het College erkent dat het schenden van haar recht op bescherming van persoonsgegevens binnen de onderneming in het licht van de Europese rechtspraak een op zichzelf staande schade vormt, die recht geeft op compensatie.
Tijdens de zitting concludeerde de klaagster dat de uitspraak van het College van 17 september 2024 in strijd met het Unierecht is genomen, een zorgvuldige feitenvaststelling ontbeert en de verplichtingen miskent die voortvloeien uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder de verplichting om effectieve rechtsbescherming te bieden, en uit de AVG. Als het gaat om de ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek is de klaagster van mening dat de beginselen van het Unierecht meebrengen dat nationale bepalingen die de effectieve uitoefening van Unierechten belemmeren buiten toepassing moeten worden gelaten. Indien de nationale rechtsorde niet voorziet in een toereikende voorziening in rechte tegen een schending van het recht op bescherming van persoonsgegevens, behoort het College zelf in rechte te voorzien.
Wtra voorziet niet in herroeping of herziening
Het College overweegt dat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) niet voorziet in de mogelijkheid van herroeping of herziening van een uitspraak van het College op een hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer. Volgens de rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraken van 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:71; 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:202; en 30 mei 2023, ECLI:NL:CBB:2023:254) brengen de algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht mee dat in bijzondere gevallen herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Deze rechtspraak houdt, voor zover in dit geval van belang, in dat slechts door degene over wie was geklaagd herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wtra is opgelegd. Redengevend daarvoor is dat in een tuchtrechtelijke procedure voor de betrokken accountant het risico speelt dat een maatregel wordt opgelegd die van invloed kan zijn op het burgerlijk recht om het beroep van accountant uit te oefenen.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak staat op grond van deze rechtspraak dus niet open voor degene die gebruik heeft gemaakt van het recht om tegen een accountant een tuchtklacht in te dienen. Als klaagster in de accountantstuchtrechtprocedure kan de klaagster daarom niet in haar verzoek worden ontvangen. Dit betekent dat het College niet ingaat op de gronden die zij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd. De arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die de klaagster in dit verband heeft aangehaald, heeft het College tijdens de zitting besproken. Het College heeft toegelicht dat uit deze Unierechtspraak niet volgt dat de klager in de accountantstuchtrechtprocedure de gelegenheid moet worden geboden om een al in twee rechterlijke instanties (als ongegrond) beoordeelde klacht voor een derde maal aan een rechter voor te leggen. Verder heeft het College toegelicht dat de tuchtrechtspraak erop is gericht in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuken op de gedrags- en beroepsregels op te treden. Voor de rechtzoekende die bescherming zoekt tegen een schending van de door de AVG gewaarborgde rechten zijn er andere, bestuursrechtelijke en civielrechtelijke rechtsingangen, die de klaagster kennelijk, zoals bleek ter zitting, ook heeft benut.
De slotsom is dat het verzoek om de uitspraak van 17 september 2024 te herzien niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2025:359



Geef een reactie