Vermogensaanwas voorkomt belastinguitstel
Zo, zal ik u maar bekennen, heb ik nog actieve herinneringen aan de tijd van vóór 2001, toen Nederland nog over een echte vermogensbelasting beschikte. Onderdeel hiervan was de anticumulatieregeling. Deze maximeerde de verschuldigde belasting tot 68% van het inkomen en was voor veel directeurgrootaandeelhouders (dga’s) destijds reden om zich geen salaris uit te keren, het zogenoemde nul-inkomen. Bij het herlezen van de arresten over box 3 realiseerde ik me plots dat handhaving van deze simpele vuistregel in box 3 ons veel ellende had kunnen besparen. Kern van de kritiek van de Hoge Raad is immers dat de belastingheffing in box 3 disproportioneel is, oftewel dat de staat meer van het rendement van haar burgers opeist dan waar ze recht op heeft. Wellicht was de 68% hiervoor wel een mooie grens?
Een ander reliek uit het verleden zijn de rentegroeifondsen. De ouderen onder de lezers weten zich deze truc, waaraan banken destijds veel provisies hebben verdiend, misschien nog te herinneren. Onder de oude Wet IB waren inkomsten immers belast en via deze obligatiefondsen die geen rente uitkeerden, werd inkomen omgezet in een onbelaste waardestijging. Financial engineering avant la lettre dus. Zou er voor de huidige vermogensrendementsheffing van box 3 een vermogenswinstbelasting in de plaats komen, dan kan de financiële sector weer aan de slag. Precies via hetzelfde principe komen er dan rente-uitstelfondsen. Direct belaste rente-inkomsten worden via het fonds getransformeerd in uitgestelde vermogenswinsten, die pas bij verkoop in de verre toekomst worden belast. Ondanks alle kritieken sta ik daarom achter het wetsvoorstel om een vermogensaanwasbelasting in box 3 in te voeren. In dit systeem is immers het gehele rendement jaarlijks belast en is er geen verschil in het moment van belastingheffing tussen direct uitgekeerde inkomsten en niet-gerealiseerde vermogenswinsten.
Een goede wet kent echter altijd een uitzondering op de hoofdregel, zo leert het verleden mij. Vandaar dat, om liquiditeitsproblemen te voorkomen, voor vastgoed het voorstel is om een vermogenswinstbelasting in te voeren. Maar een paar letters verschil, zou je zeggen. Tussen deze twee systemen van belastingheffing is naar mijn idee echter een uitnodiging tot uitstel. Deze praktijk zien we op dit moment al in de afweging tussen box 2 en box 3. Ik merk dat veel adviseurs de voorkeur aan de bv boven box 3 in privé geven bij de aankoop van onroerende zaken. Naast de emotionele weerstand tegen het betalen van belasting en alle onzekerheden rondom de toekomst van box 3 vormt het uitstellen van belastingheffing een belangrijke reden hiervoor. In de bv kan het pand immers op kostprijs worden gewaardeerd met belastinguitstel over de boekwinsten tot gevolg. Bovendien is er geen box 2-heffing verschuldigd, zolang het vermogen in de bv blijft. In box 3 heeft de Hoge Raad daarentegen in juni 2024 beslist dat het werkelijk rendement, zowel inkomen als waardestijging, direct is belast.
De keuze in de allocatie van vastgoed in box 2 en box 3 doet mij momenteel voor een enorm dilemma staan. Bij de huidige stand van de wetgeving geven rekensommetjes vaak aanleiding tot een voorkeur voor box 3, wanneer het vermogen zich daar bevindt. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat het werkelijke rendement is gemaximeerd tot het forfaitaire rendement, wat nu ook in overbruggingswetgeving wordt vastgelegd. Vergelijken we de belastingdruk in de bv met die in privé, dan geldt er een omslagpunt bij een rendement na kosten van circa 5%. Daarboven is de belastingdruk in box 3 lager dan die in box 2. De beslissing voor vastgoed is echter wel een langdurige, want een verkeerde keuze is door de overdrachtsbelasting van thans ruim 10% (in 2026 8% voor woningen) kostbaar om te herstellen. Dit maakt dat we de toekomst van box 3 moeten zien te voorspellen.
Vastgoed in box 2 of 3 blijft een dilemma
Bij de invoering van een vermogenswinstbelasting in box 3 zal de bepaling van de belaste winst dan wel het rendement vergelijkbaar zijn met die van de bv. Naar mijn idee bepaalt dan alleen het verschil in belastingdruk de keuze. Voor de IB-ondernemer en de actieve dga geldt al sinds jaar en dag een globaal evenwicht tussen box 1 en box 2. Met alle maatschappelijke weerstand tegen box-hoppen, box-flitsen en boxshoppen lijkt het me logisch dat er ook een globaal evenwicht in belastingdruk komt tussen de vermogende dga in box 2 en de vermogende particulier in box 3. Na de invoering van een nieuwe box 3 lijkt mij dus een aanpassing van box 2 voor de hand te liggen en zal beleggingsvermogen in bv’s worden belast alsof het in box 3 zit.
Kortom: welke box wordt de winnaar? De meest rechtvaardige en voor de hand liggende uitslag lijkt me uiteindelijk een gelijkspel.
Door Drs. Jeroen (J.A.) Knol. Jeroen is eigenaar van O4 & Partners Private Office en werkzaam als family officer/vermogensregisseur. Deze blog is ook gepubliceerd in het tijdschrift familiebedrijven, juli 2025.
Jeroen verzorgt voor Accountancy- en Fiscaal Vanmorgen de Cursus Box 2 en 3 in 2026: wat te doen met een miljoen op 28 mei, 22 september of 19 november.


Lijkt me zeer onaannemelijk dat men in box 2 afziet van vermogenswinst en waardering op kostprijs van onroerende zaken.
Ongerealiseerde winsten belasten leidt nou eenmaal tot zeer onwenselijke taferelen!