Twee advocaten besluiten hun maatschap per 1 januari 2023 als BV voort te zetten. Die schakelt een nieuw kantoor in voor de administratie en de belastingaangiften. De betrokken RA wordt gevraagd ook de aangiften IB over 2022 voor zijn rekening te nemen. Van de voormalige boekhouder verneemt hij dat over 2022 het kasstelsel was toegepast. In mei 2024 hoort de RA van de fiscus dat om proceseconomische redenen wordt goedgekeurd dat de BV/maatschap over 2022 en 2021 het kasstelsel toepast.
Plotseling einde samenwerking
Mooi, dan kan hij een voorlopige aangifte over 2022 indienen op basis van geschatte winst uit onderneming, mits hij nog wat meer informatie krijgt. De RA stelt nog wat vragen over de kostenverdeling tussen de maten over 2022 en voor de aangifte over 2023 moeten eerst nog de inbreng van de maatschap in de BV en het inkomen uit overige werkzaamheden worden bepaald.
Maar in juni 2024 meldt een van de advocaten dat de samenwerking met de RA wordt beëindigd. Enkele dagen later mailt het belastingadvieskantoor dat de werkzaamheden voor de advocaten overneemt: of hij nog wat stukken wil aanleveren. In oktober wordt dat verzoek herhaald, maar de RA laat weten dat de documenten over de omzetting van de onderneming al door hem zijn aangeleverd en dat de overige documenten pas worden aangeleverd zodra de openstaande facturen zijn voldaan.
Uitstel vragen was het maximale
De advocaten stappen naar de Accountantskamer: de RA heeft niet (tijdig) voorlopige aangiften inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2022 en 2023 voor beide advocaten gedaan, waardoor ze belastingrente zijn verschuldigd, en hij beroept zich ten onrechte op het retentierecht in verband met de opgevraagde stukken, klagen ze.
Tijdig belastingaangifte doen is altijd de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige, begint de tuchtrechter. Bovendien was de aangifte over 2022 in eerste instantie geen opdracht voor de RA, en toen die wel kwam was er te veel onzeker om vóór 1 mei 2023 de aangiften IB over 2022 in te kunnen dienen. “Betrokkene heeft door bij de Belastingdienst uitstel aan te vragen gedaan wat op dat moment van hem mocht worden verwacht.”
Vervolgens bleek dat de maatschap in strijd met de wettelijke bepalingen in 2022 het kasstelsel heeft toegepast en dat de verdeling van de kosten tussen beide raadsheren onduidelijk was. De Accountantskamer vindt het verdedigbaar dat de RA concludeerde dat hij ook voor 31 mei 2024 niet voldoende grondslag had om een aangifte in te dienen, mede omdat de Belastingdienst pas medio mei 2024 heeft ingestemd met het verzoek om voor 2022 het kasstelsel te mogen toepassen.
En op 21 juni viel het doek voor de samenwerking: dat is wel heel kort daarna. Daarom vindt de Accountantskamer het verdedigbaar dat de RA toen de aangiften IB over 2022 nog niet had ingediend. Ook voor 2023 waren er zoveel onduidelijkheden dat uitstel vragen het maximale was dat van de RA mocht worden verwacht, luidt het oordeel.
Retentierecht niet voor eigen administratie
Een accountant die te maken krijgt met een klant die zijn facturen niet betaalt, kan in beginsel een beroep doen op het retentierecht. Maar: een besloten vennootschap moet vanwege de administratie- en bewaarplicht kunnen beschikken over de stukken uit haar eigen administratie. “Die stukken vallen daarom niet onder het retentierecht. Als de accountant wordt gevraagd die onbewerkte stukken uit de administratie terug te geven, moet de accountant aan zo’n verzoek gehoor geven.”
Terecht beroep
De RA geeft aan dat hij geen originele stukken van de BV heeft achtergehouden, maar alleen stukken die door hem zijn vervaardigd en bewerkt. De advocaten hebben niet hard kunnen maken dat van het tegendeel sprake is. “Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene stukken heeft achtergehouden die niet onder het retentierecht vallen.”
De Accountantskamer vindt dat een accountant ook bij een op zichzelf genomen rechtmatige uitoefening van het retentierecht de bij de uitoefening van het recht de betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar moet afwegen. Maar dat heeft de RA gedaan: “Betrokkene heeft toegelicht dat hij voor het maken van deze stukken derden heeft ingeschakeld en dat hij in verband daarmee zelf kosten heeft moeten maken. Klagers hebben niet gesteld en evenmin is gebleken dat als gevolg van het onthouden van stukken door betrokkene zwaarwegende problemen voor klagers zijn ontstaan.”
Kortom: de klachten zijn ongegrond. De RA heeft de achtergehouden stukken na indiening van de tuchtklacht overigens alsnog verstrekt.


Het retentierecht binnen de accountancy is geen onontgonnen terrein. Als de RA beweert dat hij enkel zelf vervaardigde stukken heeft achtergehouden en de advocaten (notabene) kunnen hier niets tegen in brengen, mogen die advocaten zich diep schamen.
Een tuchtzaak beginnen met een klacht inzake retentierecht terwijl je klaarblijkelijk niet kunt aantonen dat de RA originele stukken heeft achtergehouden.
Advocaten….(diepe zucht)….
Leerzaam hoe deze juristen omgaan met hun eigen nalaten en verantwoordelijkheid door na 18 maanden te pogen hun accountant via het tuchtrecht te bekritiseren.
Ben benieuwd of de accountant de facturen voor zijn arbeid vergoed krijgt. Ook de (19.000) advocaten vallen onder tuchtrecht overigens.