Een ondernemer oefent in de vorm van een eenmanszaak een fysiotherapiepraktijk uit die hij volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel op 1 juli 2018 staakt. De onderneming wordt tot aan het moment van staken uitgeoefend in een praktijkruimte gevestigd op hetzelfde adres als het woonadres van de ondernemer. De praktijkruimte behoort tot aan het moment van staken tot het ondernemingsvermogen van de ondernemer, terwijl het woongedeelte tot het privévermogen behoort.
De praktijkruimte heeft een eigen, zelfstandige opgang en er bevindt zich een muur tussen het woongedeelte en de praktijkruime. Er is ook sprake van een extra ruimte tussen de entree van de woonruimte en de praktijkruimte, met eigen sanitaire voorzieningen (een toilet en aanrecht met wastafel). De trap naar de bovenverdieping behoort tot het privé-gedeelte van de woning. Vanuit de praktijkruimte is deze extra ruimte met een deur te betreden.
Het meningsverschil tussen de inspecteur en de ondernemer voor de rechtbank Noord-Holland heeft betrekking op de vraag of bij de berekening van de in de aanslag IB/PVV 2018 begrepen stakingswinst rekening moet worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning van de praktijkruimte op het moment van staken.
Woongedeelte en praktijkruimte is één geheel
De ondernemer is van mening dat hiermee rekening moet worden gehouden en stelt zich op het standpunt dat het woongedeelte en de praktijkruimte als één geheel moeten worden gezien. Volgens hem is voldaan aan het criterium van duurzame zelfbewoning en moet daarom (alsnog) een waardedrukkende factor worden toegepast op de waarde van de praktijkruimte c.q. de stakingswinst. Voor wat betreft het bepalen van de hoogte van die factor doet de ondernemer een beroep op het besluit van 31 augustus 2009, nr. CPP2009/1092M.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de praktijkruimte zelfstandig rendabel te maken was, op het moment van staken, niet werd gebruikt voor duurzame zelfbewoning, maar louter voor ondernemingsactiviteiten. En dat de praktijkruimte voor de toepassing van een waardedrukkende factor niet vereenzelvigd kan worden met het woongedeelte. Voor het geval dat er toch een waardedrukkende factor zou moeten worden bepaald doet de inspecteur een beroep op het leerstuk van de interne compensatie omdat in de aanslag ten onrechte een bedrag van € 2.039,- aan looninkomsten niet in de aanslag is opgenomen.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van het al dan niet in aanmerking nemen van een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning op de ondernemer rust. De ondernemer stelt immers dat de in de, conform de ingediende aangifte vastgestelde aanslag IB/PVV 2018, begrepen stakingswinst verminderd moet worden omdat hier ten onrechte geen rekening mee zou zijn gehouden.
Zelfbewoning kan waarde woning bij staking beïnvloeden
De rechtbank oordeelt dat het woongedeelte van de woning tot het privé-vermogen van de ondernemer, en de praktijkruimte tot het moment van staken van de onderneming in 2018 tot het ondernemingsvermogen behoort. Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 18 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1740, en 13 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1762, is min of meer duurzame zelfbewoning een omstandigheid, welke de waarde in het economische verkeer van een woning op het stakingstijdstip kan beïnvloeden. Bij het bepalen van die waarde dient hiermee rekening gehouden te worden.
Voor het in aanmerking nemen van min of meer duurzame zelfbewoning is slechts reden indien de onroerende zaak op het moment van staking van de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werd gebruikt. Indien geen sprake is van een pand dat voor de overgang naar het privévermogen voor min of meer duurzame zelfbewoning was bestemd en daartoe ook na die overgang blijft bestemd, maar van een pand dat pas ten tijde van de overgang die bestemming krijgt, vormt de zelfbewoning geen waardedrukkende factor.
De ondernemer stelt zich op het standpunt dat het pand, dus het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte, als één geheel moet worden gezien en dat het bedrijfsgedeelte niet, althans niet zonder in verregaande mate afbreuk te doen aan het woongenot met betrekking tot het woongedeelte, afzonderlijk kan worden verhuurd of verkocht.
Hij wijst erop wijst erop dat het bedrijfsgedeelte weliswaar een eigen toegang heeft, maar dat er ook een inpandige doorgang is naar het woongedeelte, en een open verbinding met de entree van het woongedeelte. Bovendien beschikt de praktijkruimte niet over eigen sanitaire voorzieningen en evenmin over een eigen aansluiting voor nutsvoorzieningen. Die bevinden zich namelijk in het privé-gedeelte.
Aanzienlijke investeringen nodig
De rechtbank is van oordeel dat een en ander meebrengt dat bij staking van de onderneming het bedrijfsgedeelte uitsluitend voor privédoeleinden te bestemmen is en dat het niet zonder aanzienlijke investeringen, afzonderlijk aan derden kan worden verhuurd dan wel verkocht. Wat betreft de mogelijkheid van afzonderlijke verkoop geldt nog dat dit onmogelijk is omdat beide gedeelten behoren tot één kadastraal nummer. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat voor de waardering van het bedrijfsgedeelte van het pand bij staking rekening dient te worden gehouden met de waardedruk wegens min of meer duurzame zelfbewoning.
Omdat de onderneming per 1 juli 2018 is gestaakt kan de ondernemer geen beroep doen op het besluit van 31 augustus 2009, nr. CPP 2009/1092M aangezien dit op dat moment niet langer geldig was. Omdat de rechtbank heeft besloten dat een waardedruk wegens duurzame zelfbewoning van toepassing is, kan de inspecteur zich vinden in een aftrek van 15% overeenkomstig het besluit van 20 juni 2018, nr. 2018-81323. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken nu de ondernemer eiser een hogere aftrek niet aannemelijk heeft gemaakt.
Interne compensatie
Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur een beroep op interne compensatie doen vanwege de onterecht niet aangegeven looninkomsten. Volgens de ondernemer is interne compensatie niet toegestaan omdat dit in strijd zou zijn met de wet, in het bijzonder de voorwaarden voor navordering, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 9 december 1998 waarin is overwogen dat het een inspecteur vrij staat andere elementen van de aanslag aan de orde te stellen en op grond daarvan het standpunt in te nemen dat de aanslag, hoewel mogelijk op het bestreden punt onjuist, toch niet of met een lager bedrag moet worden verminderd. Uit het arrest volgt ook dat interne compensatie niet in strijd is met het Unierecht en de inspecteur handelt daarmee niet in strijd met de wet of algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2025:7863


Geef een reactie