Een vader, zijn dochter en een nicht zijn vennoten van een vof die een detailhandel in meubelen en woningtextiel exploiteert. In de firma-akte is opgenomen dat de bedragen van de vennoten waarvoor ze in de boeken van de vof zijn gecrediteerd worden beschouwd als schulden van de vof. Ook is opgenomen dat elk van de vennoten de verplichting heeft, als hun kapitaal negatief is, om het negatieve kapitaal aan te zuiveren. De drie vennoten delen in gelijke mate in het resultaat van de vof.
Aanhoudend negatieve resultaten vof
De vof wordt per 1 juli 2015 opgeheven. De onderneming is per 31 december 2016 feitelijk gestaakt. De vader doet aangifte IB/PVV 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 443.750,-. Daarbij neemt hij een bedrag van € 131.445,- als buitengewone last in aanmerking vanwege het overnemen van het negatieve kapitaal van zijn dochter in de vof. Op een vraag van de inspecteur waarom hij dat zo heeft gedaan antwoordt de vader dat hij dat negatieve kapitaal heeft overgenomen in het kader van de afwikkeling van de vof.
De vader legt verder uit dat de vof moest ontbonden worden in verband met de aanhoudend negatieve resultaten, waardoor het eigen vermogen van de vennoten steeds verder werd uitgehold. Er was geen enkel zicht op het nog behalen van positieve resultaten going-concern. De vader vervolgt dat het negatieve ondernemingsvermogen van de dochter niet door haar kon worden aangezuiverd omdat ze daarvoor niet over de middelen beschikte. De vennootschap kon daardoor niet ontbonden worden. Vanwege de noodzaak tot ontbinden van de firma heeft hij het besluit genomen dit negatieve ondernemingsvermogen voor zijn rekening te nemen.
Kwijtscheldingsverlies vordering
Op vragen van de inspecteur waarom enkel de vader en niet de andere vennoot heeft bijgedragen aan de aanzuivering van het vermogen, verklaart de vader dat de onderlinge verhouding zo bekoeld zouden zijn, dat dit geen optie was. De vader verklaart verder dat de financiële situatie van zijn dochter zodanig was, dat zij het bedrag niet terug zou kunnen betalen en dat de overige vennoten hiervan op de hoogte waren. Er zou wel zijn gesproken over incassomaatregelen maar hier is geen opvolging aan gegeven.
De inspecteur trekt daardoor de conclusie dat op het moment van aanzuiveren van het vermogen het al duidelijk was dat de dochter het niet kon terugbetalen, waarmee het bedrag in feite ook gelijk is kwijtgescholden. De inspecteur accepteert de aftrekpost als buitengewone last bij de stakingswinst niet. In hoger beroep voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het de vraag of de vader het negatieve kapitaal in mindering mag brengen op de stakingswinst.
De vader is van mening dat de buitengewone last voortvloeit uit het kwijtscheldingsverlies op een vordering die hij op zijn dochter had verkregen door het voor zijn rekening nemen van haar negatieve kapitaal in de vof. Om de vof toch te kunnen ontbinden heeft hij het negatieve kapitaal van zijn dochter volledig verrekend met zijn positieve kapitaal in de vof. De vordering die hij daardoor op zijn dochter kreeg was feitelijk oninbaar en is daarom direct daarna kwijtgescholden en afgeboekt. De vader stelt dat zowel de verstrekking van de geldlening aan zijn dochter als de directe afboeking van de vordering tot terugbetaling op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden, waarbij de zakelijkheid volgens hem rechtstreeks voortvloeit uit de vennootschappelijke verhoudingen tussen hen als vennoten.
Aanzuivering niet zakelijk
De inspecteur stelt dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het negatieve kapitaal van zijn dochter in de vof heeft aangezuiverd, dat die aanzuivering op zakelijke gronden is geschied en dat de vordering op zijn dochter (geheel) oninbaar was. Als al sprake was een vordering op zakelijke gronden, is die vordering al voorafgaand aan 2016 onzakelijk geworden vanwege het (laten) oplopen van het negatieve kapitaal van de dochter door niet alleen het ontbreken van bijstortingen, maar ook het onder die omstandigheid jaarlijks accepteren van onttrekkingen door de dochter.
Het hof overweegt dat de vader en de nicht beschikten ultimo 2016 over een positief kapitaal in de vof, de dochter over een negatief kapitaal. Gelet op de bepalingen in de vof-akte diende de dochter dit negatieve kapitaal aan te zuiveren. Het hof is van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dochter haar negatieve kapitaal in de vof heeft aangezuiverd en dat de vader haar daar een geldlening voor had verstrekt. Onderbouwende stukken van de vereffening en de geldlening ontbreken.
Naar het oordeel van het hof kon de vof ook worden ontbonden zonder aanzuivering van het negatieve kapitaal door de dochter. In dat geval zou na vereffening voor de vader respectievelijk de nicht een vordering op de dochter resteren afhankelijk van de grootte van hun kapitaal in de vof verminderd met het aan ieder van hen uitbetaalde deel van het beschikbare banksaldo.
Overname vordering
Bij de vereffening van de vof heeft de nicht haar kapitaal van € 50.667,- volledig uitbetaald gekregen, terwijl voor de vader na betaling van de schulden van de vof slechts een bedrag van € 32.695,- resteerde. Dat komt overeen met de stand van zijn kapitaal nadat het volledige negatieve kapitaal van zijn dochter daarmee was verrekend. Het hof leidt hieruit af dat de vader in wezen de vordering (uit hoofde van de verplichting tot aanzuivering van het negatieve kapitaal) van de nicht op zijn dochter heeft overgenomen om te voorkomen dat voor zijn dochter na de vereffening een schuld aan de nicht zou resteren.
Het hof is van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zakelijk heeft gehandeld door die vorderingen kwijt te schelden om ter zake een buitengewone last in aanmerking te kunnen nemen bij de bepaling van zijn (stakings)winst in 2016. Voor de overgenomen vordering van de nicht moet de vader bovendien aannemelijk maken dat die overname op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden.
Verdiencapaciteit
Wat betreft de vordering op zijn dochter heeft de vader, naar het oordeel van het hof, niet aangetoond dat zij ultimo 2016 niet over middelen beschikte of op termijn zou gaan beschikken om de vordering, eventueel in termijnen, te voldoen. De dochter beschikte ten tijde van de ontbinding van de vof in ieder geval over (enig) vermogen en haar verdiencapaciteit, die door de opheffing van de onderneming van de vof medio 2015 was vrijgekomen, stelde haar in staat verder vermogen op te bouwen.
Ten aanzien van de vordering van de nicht op de dochter heeft de vader niet aannemelijk gemaakt dat hij zakelijk heeft gehandeld bij het overnemen van deze vordering. De vennootschappelijke verhoudingen verplichtten de vader daar niet toe, terwijl gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat hij er een tegenprestatie van de nicht voor heeft bedongen. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de vader die vordering onverplicht en zonder tegenprestatie voor zijn rekening heeft genomen, zodat daarom de kwijtschelding van deze vordering niet leidt tot een voor de winstbepaling in aanmerking te nemen buitengewone last.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:7171



Als vader (hier ex-compagnon) moet je kennelijk over een soort van glazen bol beschikken om daarin te zien welk inkomen de dochter e/o gaat of kan gaan verdienen. Deze verwachting van de Rechtbank doet overigens niet af van juistheid van het gevondene, of beter gesteld de onjuistheid van de door de belastingplichtige betrokken stelling.