Een man drijft een eenmanszaak die een assurantieportefeuille beheert voor een BV en daarvoor provisie ontvangt. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de eenmanszaak en de BV is opgenomen dat de man bij beëindiging van de overeenkomst nog twee jaar recht heeft op de afgesproken vergoeding. In december dient de man een verzoek in bij de Belastingdienst om vooroverleg. De man wil zijn onderneming per 1 januari 2018 ruisend inbrengen in een nog op te richten BV waarvan hij enig aandeelhouder zal zijn. Voor (een deel van) de in te brengen waarde wil de man een lijfrente bedingen van de overnemende BV.
Ruisende inbreng
De inspecteur gaat akkoord met een inbrengwaarde van € 195.000,-. In mart 2018 richt de man zijn nieuwe BV op en brengt met terugwerkende kracht naar 1 januari 2018 zijn eenmanszaak ruisend in de (nieuwe) BV in en bedingt daarbij een lijfrentevoorziening van € 165.000,- welk bedrag later wordt bijgesteld naar € 200.000,-. In zijn aangifte IB/PVV over 2017 geeft de man een stakingswinst aan van € 195.000,- en brengt hij een lijfrentepremie van € 200.000,- in aftrek. De BV, waarvoor de man de assurantieportefeuille beheerde, stort een bedrag van € 296.255,- op de bankrekening van de eenmanszaak.
Naar aanleiding van een signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting en een derdenonderzoek neemt de inspecteur het standpunt in dat de stakingswinst te laag is vastgesteld. De inspecteur stelt dat de man zijn onderneming niet in de (nieuwe) BV heeft voortgezet. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op en verklaart het ingediende bezwaar als ongegrond. Rechtbank Gelderland beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd, of er sprake is van een nieuw feit en of de hoogte van de stakingswinst op het juiste bedrag is vastgesteld.
Nieuw feit
De man is van mening dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat geen sprake is van een nieuw feit. De correctie die verband houdt met de inbrengwaarde is volgens de man uitsluitend gebaseerd op de omzet over het jaar 2017. In het vooroverleg zijn afspraken gemaakt over de wijze van berekening van de waarde van de onderneming. Deze zou worden gebaseerd op de omzetcijfers van de jaren 2015 en 2016. Dat de omzet over 2017 vervolgens hoger is uitgekomen dan die van 2015 en 2016, heeft naar de mening van de man geen invloed op de in onderling overleg bepaalde waarde. De wijze van waardebepaling lag immers vast.
De rechtbank overweegt dat de primitieve aanslag IB/PVV 2017 met dagtekening 29 september 2019 geautomatiseerd is opgelegd conform de aangifte. Deze aangifte gaf de inspecteur geen aanleiding tot een nader onderzoek. Ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 was het de inspecteur niet bekend dat de samenwerking tussen de man en de BV eind 2017 was beëindigd.
Het was toen de inspecteur ook niet bekend dat, ten opzichte van de voorgelegde waarde in het verzoek om vooroverleg, de onderliggende berekening van de overdrachtswaarde van de assurantieportefeuille op andere grondslagen berustte. De inspecteur kwam van deze informatie pas op de hoogte nadat de definitieve aanlag IB/PVV 2017 was opgelegd, namelijk door een in mei 2021 ontvangen signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting over het door de vennootschap in haar jaarrekening 2018 opgenomen bedrag aan lijfrentekapitaal. Deze punten én het signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting vormen naar het oordeel van de rechtbank, het nieuwe feit op grond waarvan de inspecteur heeft kunnen besluiten in verband hiermee een navorderingsaanslag op te leggen.
Gewekt vertrouwen
De man voert aan dat hij zich kan beroepen op het door de inspecteur gewekte vertrouwen dat de waarde van de in te brengen onderneming/assurantieportefeuille € 195.000,- bedroeg. Het vooroverleg met de inspecteur was juist en volledig en daarmee heeft de inspecteur het vertrouwen opgewekt dat de man ervan uit kon gaan dat hij zijn stakingswinst in het jaar 2017 mocht berekenen op basis van een waarde van de onderneming/assurantieportefeuille eenmanszaak van € 195.000,-. Toen de man zich verbond zich verbond om zijn onderneming in te brengen in een besloten vennootschap was van een eventuele overdracht van de assurantieportefeuille, volgens hem, nog geen sprake.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om vooroverleg uitsluitend betrekking heeft op de waarde van de onderneming van de man. Vaststaat voor de rechtbank dat de man de onderneming in het jaar 2018 niet heeft voortgezet. Met de akkoordverklaring van de inspecteur heeft de Belastingdienst geen vertrouwen gewekt dat in geval van staking van een onderneming de man in aanmerking komt voor enige lijfrentepremieaftrek.
Geen lijfrente bedongen als tegenprestatie voor overdracht
De rechtbank is van oordeel dat de man, met wat hij heeft aangevoerd, niet aangetoond heeft dat het bedrag van de navorderingsaanslag onjuist is vastgesteld. Een ondernemer die in het kalenderjaar een onderneming waaruit hij als ondernemer winst geniet, staakt, kan vanwege de omzetting van de stakingswinst in een lijfrente, in beginsel tot een bepaald maximum premies voor lijfrenten in aanmerking nemen.
Een van de voorwaarden hiervoor is dat de lijfrente is bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van die onderneming aan en de lijfrentepremie is verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam. Omdat de onderneming van de man in 2017 is gestaakt, kan deze onderneming niet in 2018 in de BV worden ingebracht. De man voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek. De lijfrente is immers niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming.
De rechtbank verklaart het beroep van de man daarom ongegrond.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:1404


Geef een reactie