Een man maakt met de Belastingdienst afspraken over de fiscale behandeling van twee leningen en de daarmee verbonden regresvorderingen op naam van hem. Deze afspraken zijn voor de jaren 2012 tot en met 2014 vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat de man als gevolg van een ingeroepen borgstelling een lening heeft afgesloten bij de bank voor het bedrag van € 150.000,-. Daarnaast heeft de man een lening afgesloten bij de bank als gevolg van een ingeroepen hoofdelijke aansprakelijkheid voor het bedrag van € 319.764,27. In het verlengde hiervan heeft de man regresvorderingen op een BV.
Per abuis in aftrek gebrachte rente niet nagevorderd
De man komt met de Belastingdienst overeen dat de opbrengsten van de regresvorderingen worden gerekend tot reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang en dat afwaarderingen van de regresvorderingen de verkrijgingsprijs voor de man verhogen van zijn aanmerkelijk belang in de BV. In het bijzonder geldt dat indien en voor zover inzake de lening van € 319.764,27 door de man wordt afgelost en rente wordt betaald, er tot in zoverre sprake kan zijn van een afwaardering van de regresvordering met als gevolg een in aanmerking te nemen bijtelling van de verkrijgingsprijs tot het gezamenlijke bedrag van de aflossing en rentebetaling. Ook wordt overeengekomen dat de rente die de man met betrekking tot de genoemde leningen per abuis tot en met het jaar 2014 in aftrek heeft gebracht als inkomsten uit eigen woning, niet zal worden nagevorderd door de inspecteur.
De man verzoekt de rechtbank Den Haag om uitspraak te krijgen over de vraag op welke wijze de afspraken die door hem en de Belastingdienst zijn gemaakt en die in de vaststellingsovereenkomst zijn vastgesteld, moeten worden verwerkt in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018. De man heeft ook een brief van de Belastingdienst gekregen dat hij ten aanzien van de inkomstenbelasting 2015 is geregistreerd in de FSV.
De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het beroep tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het beroep niet tijdig is ingediend en dat het beroep tegen de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw voor het jaar 2018 niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het beroep prematuur is ingesteld. De inspecteur stelt ook dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.
Geen nadeel van FSV-registratie
De man heeft in de jaren 2016 tot en met 2018 niet de vereiste aangifte gedaan en niet doen blijken of aannemelijk gemaakt dat de aanslagen onjuist zijn vastgesteld. De man heeft geen nadeel ondervonden bij de behandeling van de aangiften en aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018 als gevolg van zijn FSV-registratie inzake de inkomstenbelasting voor het jaar 2015. De Belastingdienst hoefde de man niet te adviseren over de wijze waarop de afspraken die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018 hadden moeten worden verwerkt. De in de aan man opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018 in aanmerking genomen aftrek van eigenwoningrente is volgens de inspecteur daarom correct.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet verplicht is een belastingplichtige actief te informeren hoe afspraken die de Belastingdienst met die belastingplichtige heeft gemaakt, en die zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, moeten worden verwerkt in een aangifte IB/PVV. De rechtbank overweegt dat de twee leningen waarvan de man de aan de bank betaalde rente in aftrek heeft gebracht als eigenwoningrente, schulden zijn aan de bank.
Hoofdelijk aansprakelijk voor lening
De eerste lening bedraagt € 150.000,- en is ontstaan uit een door de bank ingeroepen borgtocht jegens de man. De tweede lening bedraagt € 319.721,79. Deze lening is ontstaan uit een lening die de bank had verstrekt aan een B.V. die voor 50% (indirect) door de man werd gehouden en die hoofdelijk aansprakelijk was voor deze lening. De bank heeft, vanwege het faillissement van deze BV, deze lening omgezet in een lening aan de man. Beide leningen van de bank zijn niet aangegaan tot verwerving, verbetering en onderhoud van een eigen woning. De rente die de man heeft betaald ter zake van deze leningen kan niet in aftrek worden gebracht als eigenwoningrente zodat het beroep daartegen ongegrond moet worden verklaard.
In hoger beroep voor gerechtshof Den Haag is in geschil of de betaalde rente terecht niet in aanmerking is genomen. Het hof is van oordeel dat de stelling van de man dat de rente op de twee leningen van de bank aftrekbaar is, faalt. Uit niets blijkt immers dat de leningen bij de bank betrekking hebben op de eigen woning van de man. Bovendien heeft hij geen bewijs (zoals bankmutaties) verstrekt waaruit volgt dat hij rente op de leningen van de bank heeft betaald. De man heeft daarom niet doen blijken dat de aanslag op een lager bedrag dient te worden vastgesteld en is dus niet geslaagd in de op hem rustende, verzwaarde bewijslast.
Afspraken in VSO waren voldoende duidelijk
Naar het oordeel van het hof zijn de door de man en de inspecteur gemaakte afspraken op voldoende duidelijke wijze neergelegd in de vaststellingsovereenkomst, en is daarbij in het bijzonder helder uiteengezet hoe de afspraken in de aangifte moeten worden verwerkt. Verder heeft de man de vaststellingsovereenkomst gesloten met bijstand van zijn toenmalige adviseur, die hem desgewenst een nadere toelichting had kunnen geven. Het is aan de man uitvoering te geven aan deze afspraken. Een verdergaande zorgplicht, zoals door de man wordt gesteld, heeft de inspecteur in dit geval niet. Het lag voor de hand dat de man zelf advies zou inwinnen over de specifieke fiscale gevolgen van de vaststellingsovereenkomst en de wijze waarop deze in de aangifte IB/PVV 2017 had moeten worden verwerkt.
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en komt tot het oordeel dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. De Hoge Raad zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1350



Geef een reactie