216 Accountants voerde tussen augustus 2018 en december 2023 administratieve en fiscale werkzaamheden uit bij de klant. De samenwerking werd vastgelegd in verschillende opdrachtbevestigingen. In maart 2021 werd een maandtarief van €1.500 exclusief btw overeengekomen, terwijl in januari 2023 dit bedrag werd aangepast naar €1.620 per jaar, oftewel €135 per maand, eveneens exclusief btw. Het honorarium zou maandelijks in rekening worden gebracht.
Vordering 216
Bij de kantonrechter stelt 216 dat de klant verschillende facturen niet heeft betaald en vordert daarom een bedrag van €3.934,45, bestaande uit de hoofdsom, incassokosten en rente, minus enkele deelbetalingen. Volgens het kantoor is er sprake van een overeenkomst van opdracht die de klant verplicht tot betaling voor de verrichte diensten.
De klant betwist de vordering en stelt dat er een vaste jaarprijs was afgesproken, die steeds in maandelijkse termijnen werd betaald. De openstaande facturen zouden volgens hem niet onder deze afspraken vallen, waardoor hij geen verdere betalingen verschuldigd is.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de afspraken over het honorarium zijn vastgelegd in de opdrachtbevestigingen uit 2021 en 2023, maar dat zij van mening verschillen over de uitleg daarvan. Volgens 216 Accountants moest het daarin opgenomen bedrag worden beschouwd als een voorschot dat achteraf zou worden verrekend met het daadwerkelijke aantal gewerkte uren. De klant betwist dit en stelde dat het ging om een vaste prijs per jaar, betaalbaar in maandelijkse termijnen.
De rechter oordeelt dat 216 Accountants onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een voorschotconstructie. In de opdrachtbevestigingen wordt nergens melding gemaakt van een verrekeningsafspraak of een uurtarief, noch van nacalculatie op basis van gewerkte uren. De formulering dat het honorarium “is gebaseerd op de geschatte tijdsbesteding van het team” duidt volgens de kantonrechter niet op een schatting van een uiteindelijke nacalculatie, maar op een inschatting die heeft geleid tot een vaste prijsafspraak.
Tijdens de mondelinge behandeling kon 216 Accountants bovendien niet aangeven welk uurtarief met de klant zou zijn overeengekomen of op hoeveel uren de vermeende nacalculatie was gebaseerd. De rechter wijst er verder op dat de eigen correspondentie van 216 Accountants haar huidige standpunt ondermijnt. In een e-mail van april 2024 bevestigde het kantoor zelf dat met de klant een prijsafspraak was gemaakt van €125 per maand (oftewel €1.500 per jaar) voor eerdere boekjaren en €135 per maand (€1.620 per jaar) voor de jaren 2022 en 2023. Daarmee erkende 216 Accountants destijds expliciet dat sprake was van een vaste prijsafspraak, en niet van een variabel voorschot.
Haviltex-maatstaf
De rechter acht deze e-mail doorslaggevend, temeer omdat 216 Accountants geen afdoende verklaring kon geven voor de discrepantie tussen haar eerdere bevestiging en haar huidige uitleg. Ook de feitelijke uitvoering van de overeenkomst wijst erop dat een vaste prijsafspraak gold: de klant heeft onweersproken gesteld dat maandelijks een vast bedrag werd gefactureerd en dat nooit sprake is geweest van verrekening of nacalculatie.
Op grond van de Haviltex-maatstaf concludeert de kantonrechter dat partijen over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen dat zij een vaste prijs per jaar waren overeengekomen, te voldoen in maandelijkse termijnen. De stelling van 216 Accountants dat het om een voorschotregeling ging, wordt verworpen. Omdat de klant de overeengekomen maandbedragen heeft betaald en 216 Accountants niet heeft aangetoond dat er aanvullende werkzaamheden zijn verricht die buiten deze afspraak vallen, heeft het kantoor geen vordering meer op de klant.
De kantonrechter wijst de vordering van 216 Accountants daarom af.


In 2022 hebben twee rechters in Maastricht: decertificering aandelen en ontslag bestuurders, besloten dat het bestuur van een stichting administratiekantoor gelijk had en in Hoger Beroep in Den Bosch kregen ze weer gelijk. Waar ging het over? Het uurtarief, maar het bestuur draaide het zo, dat de rechtszaken over besturen van de onderneming ging en NIET over het UURTARIEF, zoals het schriftelijk bewijs toonde. Volgens het bestuur hadden ze het uurtarief afgesproken met met de ondernemer. Echter, de ondernemer is op 1 december 2016 overleden, de erfgename is de executeur en 100% certificaathouder. Het bestuur, bestaande uit een accountant, financieel adviseur en notaris, beweerde dat de overleden ondernemer de erfgenamen een gevaar vonden. Het gevaar is vo9r het bestuur, want creatief boekhouden hebben ze jaren gedaan en niemand mag dat weten. Een van de Maastrichtse rechters gaf hun eerste advocaat prof. mr. M. een knipoog. Wij wisten genoeg. Prof.mr. M. kreeg een tuchtszaak aan zijn broek wegens beïnvloeding van getuigen en rechters. Hij heeft een deal met de deken van de Orde vab Advocaten in Breda geregeld. De factuur heeft de onderneming van de overleden ondernemer betaald. Om een lang verhaal kort te maken: De rechters besloten dat het bestuur gelijk hebben, terwijl ze bestuurders zijn én geen execteurs. De kantonrechters bepaalde anders dat ze niet volgens de beroepsregels van de notariswet art. 20 lid 1 en accountantswet hebben gehandeld. De facturen, ruim 150.000 euro, heeft de onderneming van de overleden ondernemer betaald. Ook de advocaatkosten, die ruim 800.000 euro zijn, heeft deze onderneming betaald. Nu wil het bestuur volledige kwijting. Dat zegt genoeg!
De vraag: wie is de erfgename en hoe is degene gehuwd? In gemeenschap van goederen, dus de erfgename zou al 50% van de stemmen hebben, dus waarom heeft ze 1 stem en de overige drie in totaal 4 stemmen? Deze vraag is nooit beantwoord en is ook nooit naar de executeur gevraagd.
Inmiddels is er nog maar 1/3 over van de onderneming. Het is geheel leeggeplukt met list en bedrog, want dat blijkt nu dat er een VSO geëist wordt, zonder dat ze vervolgd zullen worden.
Met dank aan de rechters die zich niet aan wet- en regelgeving hebben gehouden, maar er een eigen draai gaven aan wat het bestuur zei.
Leeggeplukt: 1. jaarlijkse vergoeding als bestuurders (regels stak) , 2 uurtarief volgens hun beroep als notaris, als accountant RA, als financiel adviseur (regels testament als ze executeurs zouden zijn), 3. tuchtszaken betaald: notaris en accountant, 4. advocaat voor drie van de vier leden van de stak.
5. Daarnaast nog als notaris: juridisch advies, als accountant: accountantskosten, als financieel adviseur
En
Ook nog interim directeur
Want zolang er geen echte directeur is, blijven de kosten hoog, is door de stak gezegd.
Er is gelogen tegen de rechters, alle regels van de stichting administratiekantoor en testament zijn verdraaid. Zo stellen ze dat zij degenen waren als execteurs én ze zijn bestuurders.
Negen jaar later, nog steeds een interim. De stak heeft zich gegarandeerd van hun eigen pensioen ten koste van de erfgename.
Tel maar eens het totaal uit.
Hiermee zou de overleden ondernemer akkoord zijn gegaan. Het schriftelijk bewijs zegt anders.
De vraag: als de overleden ondernemer de erfgename een gevaar vond voor zijn onderneming, zoals beweerd werd, waarom heeft de erfgename en mede-oprichtster dan geërfd?
Wat heeft het voor een nut om een testament te maken, als bestuurders en rechters over andermans eigendom beslissen?
Het had over het UURTARIEF moeten gaan, maar de rechtszaken werden beslist op basis van het bestuur zei: BESTUREN.