Een vrouw en haar man hebben met ingang van 15 september 1981 een bij leven geclausuleerde lijfrenteverzekering afgesloten met een vaste kapitaaluitkering bij leven op de einddatum van 15 september 2004 en een vaste kapitaaluitkering bij eerder overlijden. Door het eerder overlijden van de echtgenoot van de vrouw is er vanuit de verzekering een belastingvrije overlijdensuitkering verstrekt van € 149.893,- en is de verzekering beëindigd. Met de uitkering koopt de vrouw een onmiddellijk ingaande levenslange periodieke uitkering van € 10.543,58 per jaar, uit te keren in maandelijkse termijnen.
Na de ingediende aangifte IB/PVV over 2020 deelt de inspecteur de vrouw mee dat hij van plan is om af te wijken van de aangifte. Volgens hem moet het belastbaar inkomen uit werk en woning worden verhoogd in verband met de afrekenverplichting over de saldolijfrente die is afgesloten voor 14 september 1999. De inspecteur baseert zich daarbij op een renseignement van de verzekeringsmaatschappij waarop onder meer is vermeld dat de desbetreffende polis op 31 december 2020 een waarde in het economische verkeer heeft van € 158.528,-.
Polissen voor 14 september 1999 belast volgens saldomethode
De vrouw maakt bezwaar tegen de aanslag en na afwijzing van het bezwaar gaat zij in beroep bij de rechtbank Noord-Holland. De vrouw stelt dat de inspecteur in de aanslag IB/PVV 2020 de waarde van de saldolijfrenteverzekering niet voor de juiste waarde in aanmerking heeft genomen in box 1. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de heffing strijdig is met de grondbeginselen van een rechtvaardige heffing en het recht op eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Volgens de vrouw is het eindigen van het overgangsrecht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM.
De rechtbank overweegt dat bij de invoering van de Wet IB 2001 de fiscale regels voor lijfrenten waarvan de premies geheel of gedeeltelijk niet aftrekbaar waren zijn (saldolijfrenten) veranderd. Bij de heffing over een saldolijfrente werd voorheen gebruik gemaakt van de ‘saldomethode’. Op grond van het overgangsrecht zoals dat in de Invoeringswet Wet IB 2001 is vastgelegd, blijven saldolijfrentepolissen die vóór 14 september 1999 zijn afgesloten vanaf de invoering van de Wet IB 2001 belast in box 1 volgens de genoemde saldomethode.
Overgangsrecht eindigt na 20 jaar
In de Invoeringswet is opgenomen dat het overgangsrecht voor saldolijfrenten na 20 jaar eindigt. Het resterende saldo per 31 december 2020 wordt in de heffing in box 1 betrokken, waarna de uitkeringen onbelast zijn, maar de waarde van de polis tot het box 3 vermogen behoort. Op verzoek van de vrouw wordt een tarief van 45% toegepast bij de heffing over het resterende saldo per 31 december 2020.
De vrouw betoogt dat de waarde in het economische verkeer van het recht op periodieke uitkeringen op 31 december 2020 niet hoger kan zijn dan € 94.892,- omdat dit bedrag per 1 januari 2021 in aanmerking is genomen in box 3. De rechtbank verwerpt dit betoog en is van oordeel dat het verschil in berekening van de afrekenverplichting in box 1 per 31 december 2020 en de waarde van de polis in box 3 per 1 januari 2021 wordt veroorzaakt door een verschil in waarderingsmethode zoals dat volgt uit de toepasselijke wetgeving. De waarde per 31 december 2020 is de waarde in het economisch verkeer.
De vrouw is van mening dat het eindigen van het overgangsrecht en de daardoor bij haar ontstane afrekenverplichting over de saldolijfrente tegen een waarde van € 158.528,- onevenredig is en in strijd is met de grondbeginselen van een rechtvaardige heffing. De rechtbank legt haar betoog uit als een beroep doet op de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Ongestoord genot van eigendom
De vrouw doet verder een beroep op het ongestoorde genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 EP EVRM. De rechtbank stelt voorop dat een aanspraak op lijfrente-uitkeringen, een eigendomsrecht is in de zin van artikel 1 EP EVRM. Om vast te stellen of sprake is van strijd met artikel 1 EP EVRM dient volgens vaste jurisprudentie eerst beoordeeld te worden of een regeling op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM. En als dat niet zo is dient vervolgens beoordeeld te worden of sprake is van een individuele en buitensporige last.
Volgens de rechtbank houdt artikel 1 in dat elke inbreuk door een staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk persoon of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht (‘lawful’) dient te zijn, dat de inbreuk een legitiem doel (‘legitimate aim’) in het algemeen belang dient. En er moet er een redelijke mate van evenredigheid zijn tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd.
Fair balance
Dit vereist dat een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het legitieme doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Betrokkenen mogen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last. De rechtbank concludeert dat er op regelniveau geen sprake is van strijd is met artikel 1 EP EVRM.
De rechtbank overweegt dat alleen sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last indien en voor zover de last voor een belastingplichtige zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Daarbij moet in dit geval de totale inkomens- en vermogenspositie van de vrouw in deze beoordeling worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een individuele en buitensporige last voor de vrouw.
De saldolijfrenteaanspraak is bij de vrouw in de heffing van inkomstenbelasting betrokken tegen een waarde in het economisch verkeer van € 158.528,-. De gehanteerde heffingsgrondslag voor de afrekenverplichting is daarmee meer dan vijftien keer zo hoog als het bedrag aan daadwerkelijk genoten uitkeringen in het jaar 2020 (ad € 10.543,-). En meer dan vijf keer zo hoog als het verzamelinkomen van de vrouw zonder de afrekenverplichting.
Onvoldoende financiële middelen
De vrouw stelt tijdens de zitting dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikt om het volledige bedrag van de aanslag IB/PVV 2020 (ad € 75.652,-) te kunnen voldoen en dat zij een lening zou moeten afsluiten om de belasting te kunnen betalen. Gekeken naar de inkomens- en vermogenspositie van de vrouw, en ermee rekening houdend dat zij geen middelen uit de lijfrentepolis kon vrijmaken vanwege de onmogelijkheid tot afkoop, is de rechtbank van oordeel dat de heffing met betrekking tot de afrekenverplichting in het geval van de vrouw als een individuele en buitensporige last is aan te merken.
Het beroep van de vrouw wordt door de rechtbank gegrond verklaard en er is sprake van strijd met artikel 1 EP EVRM. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod wijst de rechtbank af omdat er in geval geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het overgangsrecht is op 31 december 2020 geëindigd voor alle belastingplichtigen die periodieke uitkeringen uit een saldolijfrente ontvangen. De vrouw wordt daarin niet anders behandeld dan anderen die in dezelfde positie verkeren.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2025:10755




Geef een reactie