Een stichting die de ANBI-status heeft exploiteert sinds 2008 een hospice die in 2018/2019 wordt verbouwd. Sinds de ingebruikname van het verbouwde pand verhuurt de stichting vijf gastenkamers. Gasten verblijven gemiddeld twee tot drie maanden in het hospice. De medische zorg aan de gasten wordt verzorgd door de eigen huisarts. De stichting sluit overeenkomsten met de gasten waarin een vergoeding van € 40 per dag wordt gevraagd voor gebruik van een gastenkamer, broodmaaltijden en een warme maaltijd.
Voorbelasting op zonnepanelen wel geaccepteerd
Tot 1 januari 2019 deed de stichting geen aangiften omzetbelasting. Daarna verzoekt de stichting de Belastingdienst om met ingang van 1 januari 2019 te worden geregistreerd als ondernemer met belaste prestaties. Vanaf die datum dient de stichting aangiften omzetbelasting in waarin voorbelasting in aftrek wordt gebracht die betrekking heeft op de verbouwkosten van het pand en de aanschafkosten van de zonnepanelen. De aftrek aan voorbelasting op de zonnepanelen wordt door de inspecteur geaccepteerd. De overige door de stichting verrichte prestaties zijn volgens de inspecteur vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel c, f en/of g van de Wet op de Omzetbelasting 1968.
De stichting gaat, nadat de bezwaren tegen de opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2019 en 2020 zijn afgewezen, in beroep bij de rechtbank Noord-Nederland en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De stichting stelt zich op het standpunt dat aan de gast één samengestelde dienst wordt verricht, waarbij de hoofdprestatie is het ter beschikking stellen van de kamer waarbij het verschaffen van zorg en eten/drinken daaraan bijkomend is. Deze verhuur aan de gasten valt naar de mening van de stichting onder artikel 11, lid 1, onder b, onder 2o, van de Wet OB (short stay) en is belast tegen het verlaagde tarief.
Eén samengestelde prestatie
De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van één samengestelde prestatie waarbij de terbeschikkingstelling van de gastenkamer, het verschaffen van eten en drinken en de ontzorging door de vrijwilligers onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Deze prestatie is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, sub c of f, van de Wet OB. Omdat volgens de inspecteur sprake is van één hoofdprestatie, bestaande uit het ter beschikking stellen van een gastenkamer, waaraan de overige elementen van de prestatie bijkomstig zijn, is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onder b, van de Wet OB van toepassing. Van short stay is geen sprake stelt de inspecteur.
Voor de beoordeling of handeling(en) of elementen als één enkele prestatie of als twee of meer te onderscheiden prestaties moeten worden beschouwd, verwijst het hof naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Een uitzondering is als er sprake is van één prestatie als twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht, zo nauw met elkaar zijn verbonden dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Een andere uitzondering is wanneer één of meer prestaties de hoofdprestatie vormen, terwijl een of meer andere prestaties ondergeschikte of bijkomende prestaties zijn die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen.
Enkel huren van kamer is geen doel op zich
Het hof overweegt dat in dit geval bij de stichting in de prestaties drie elementen van belang zijn: de terbeschikkingstelling van de gastenkamer, het verstrekken van eten en drinken aan de gasten en algemene zorg voor gasten en hun naasten. Het hof is van oordeel dat het enkel huren van de kamer voor de gasten geen doel op zich is, net als de andere elementen geen doel op zich zijn voor de gasten. Als een gast enkel op zoek is naar het zorgelement, dan kan hij of zij immers kiezen voor zorg aan huis. Dat het huren van een kamer geen doel op zich is, blijkt ook uit het feit dat voor de gasten het huren van een hotelkamer geen realistisch alternatief is voor verblijf in het hospice. Zoals de stichting aangaf tijdens de zitting is een gast op zoek naar een omgeving om te sterven waarbij ook de mantelzorgers worden ontlast.
Alle elementen (gebruik van de gastenkamer, algemene zorg en eten en drinken voor de gasten) verliezen, naar het oordeel van het hof, vanuit het oogpunt van de modale consument hun zelfstandigheid en smelten als het ware samen tot een nieuwe ondeelbare prestatie aan de gast. Die hospiceprestatie is het verlenen van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase.
Niet erkend als instelling van sociale of culturele aard
Naar het oordeel van het hof kunnen de hospiceprestaties niet vallen onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1 onder c en f van de Wet OB1968. Dat komt met name omdat artikel 132, lid 1, onder b, van de Btw-richtlijn bepaalt dat van omzetbelasting is vrijgesteld ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen. Werkzaamheden die verband houden met algemene verzorging en huishoudelijk hulp vallen niet onder het begrip ‘medische verzorging’. Het wassen van personen, het bereiden en toedienen van maaltijden, het helpen bij het aankleden, opstaan en naar bed gaan, zijn voorbeelden van algemene verzorging.
Op grond van artikel 11, lid 1 onder f van de OB zijn van omzetbelasting vrijgesteld leveringen en diensten van sociale of culturele aard. Een van de voorwaarden voor die vrijstelling is dat de betrokken organisatie op verzoek is erkend als instelling van sociale of culturele aard. Voor het hof staat het vast dat de stichting op haar verzoek niet is erkend als een dergelijke instelling. Het hof vult hierbij aan dat de ANBI-status van de stichting niet kan worden aangemerkt als een erkenning.
Geen vrijstelling short stay
Ook van belasting is vrijgesteld, volgens artikel 11, lid 1 onder b van de Wet OB, de verhuur van onroerende zaken, met uitzondering van de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden (short stay). Het hof is van oordeel dat de dienstverlening van de stichting aan haar gasten een samengestelde prestatie is die niet kan worden gesplitst. Daarom kan ten aanzien van deze prestatie geen sprake zijn van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onder b, van de Wet OB of van short stay.
Samengevat komt het hof tot het oordeel dat de prestaties van de stichting belast zijn, waarbij voor het verlenen van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase het normale tarief van toepassing is. De naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd en er moet een teruggave worden verleend voor de voorbelasting op de zonnepanelen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:8408


Geef een reactie