Tegelijkertijd noemen voorstanders de overgang naar belasting op werkelijk rendement juist een noodzakelijke en logische stap.
Vermogensaanwasbelasting
Het kabinet wil vanaf 2028 overstappen op een zogenoemde vermogensaanwasbelasting. Daarbij wordt jaarlijks 36 procent belasting geheven over het werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen van beleggingen. Dat betekent dat ook over ‘papieren winst’ belasting moet worden betaald. Per persoon geldt een heffingsvrij resultaat van €1800. Uiteindelijk moet het stelsel in 2030 overgaan in een vermogenswinstbelasting, waarbij pas bij verkoop van bezittingen wordt afgerekend. De tussenstap moet zorgen voor stabiele belastingopbrengsten.
De hervorming volgt op het kerstarrest van de Hoge Raad uit 2021, waarin het oude systeem van belasting op een fictief rendement onrechtmatig werd verklaard. In het nieuwe stelsel wordt gekeken naar het daadwerkelijk behaalde rendement uit rente, dividend, huur en waardestijgingen.
Verzet
Met name de tijdelijke aanwasbelasting stuit op verzet. Beleggers wijzen erop dat zij belasting moeten betalen over waardestijgingen die nog niet zijn verzilverd, terwijl zij die opbrengst nog niet in handen hebben. Ook ontbreekt in de beginfase de mogelijkheid om verliezen direct te verrekenen. Volgens critici kan dat ertoe leiden dat beleggers in slechte jaren relatief zwaar worden belast. Daarnaast klinkt kritiek op het ontbreken van inflatiecorrectie, waardoor volgens hen ook rendement dat slechts koopkrachtbehoud oplevert wordt belast.
‘Ophef overdreven’
Econoom Bas Jacobs, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam, noemt de ophef overdreven. Hij spreekt van ‘hysterische’ reacties en stelt dat belasting op werkelijk rendement een duidelijke verbetering is ten opzichte van het oude systeem. Volgens hem betalen beleggers over meerdere jaren bezien niet méér belasting dan onder een vermogenswinstbelasting, zolang zij hun beleggingsgedrag niet aanpassen om fiscale redenen. Een winstbelasting bij verkoop zou volgens Jacobs juist fiscale timingstrategieën uitlokken en de kapitaalallocatie verstoren.
Lagarde
De discussie speelt ook in een bredere Europese context. Tijdens een panel op de veiligheidsconferentie in München waarschuwde Christine Lagarde, president van de Europese Centrale Bank, dat nieuwe vermogensbelastingen investeringen kunnen afremmen. Volgens haar is het effectiever om prikkels voor investeringen te creëren dan om belastingen in te zetten om kapitaalvlucht tegen te gaan. Lagarde wees erop dat de huidige marktomstandigheden juist wijzen op toenemende interesse om kapitaal aan Europa toe te wijzen.
Onzekerheid
In Nederland wijzen vermogensbeheerders erop dat voortdurende wijzigingen in het box 3-regime voor onzekerheid zorgen. Beleggers houden niet van onvoorspelbaarheid, klinkt het, en het belasten van papieren winsten versterkt dat gevoel. Sommigen overwegen daarom alternatieven, zoals beleggen via een bv in box 2, waar andere regels voor verliesverrekening en uitstel van belastingheffing gelden. Of dat op grote schaal zal gebeuren, is onzeker en hangt sterk af van de samenstelling van het vermogen en het verwachte rendement.
Voor spaarders met weinig risicovolle beleggingen kan het nieuwe stelsel volgens sommige berekeningen juist gunstiger uitpakken dan het huidige systeem. Toch klinkt vanuit de sector de oproep aan het nieuwe kabinet om de tussenstap van de aanwasbelasting te heroverwegen en zo mogelijk in één keer een definitief en stabiel stelsel in te voeren. Het wetsvoorstel moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld.
(FD/ANP/NOS)


Redactie@XEA.nl
Onze nestor zit 64 jaar in het vak, effecten.
Tijdens zijn opleiding belasting leer, leerde hij:” je mag pas heffen, als de winst gerealiseerd is”! Nu mag je geen kosten en verlies verrekenen.
Je je het nog krommer hebben!
Stel je begin met EUR 100.000, je lijdt EUR 30.000 verlies en daarna beging je met EUR 70.000 en dat jaar hertelt het weer naar EUR 100.00. Dus gaat de belasting zeggen, ” u maakt winst van 30.000 dus wordt U belast voor papieren winst van EUR 30.000 en daar betaalt U EUR 10,800 winst belasting over.! Terwijl je pas weer je eigen geld terug hebt. Als je dit spelletje steeds herhaal, zou er straks GEEN eigen geld meer over zijn, want de belasting heeft UW eigen GELD weggeroofd!
Dit geeft aan, dat de Politiek niets SNAPT , over wat beleggen is en zeker niet qua rendementen.
Redactie@XEA.nl
Onze nestor zit 64 jaar in het vak, effecten.
Tijdens zijn opleiding belasting leer, leerde hij:” je mag pas heffen, als de winst gerealiseerd is”! Nu mag je geen kosten en verlies verrekenen.
Wil je het nog krommer hebben!
Stel je begin met EUR 100.000, je lijdt EUR 30.000 verlies en daarna beging je met EUR 70.000 en dat jaar hertelt het weer naar EUR 100.00. Dus gaat de belasting zeggen, ” u maakt winst van 30.000 dus wordt U belast voor papieren winst van EUR 30.000 en daar betaalt U EUR 10,800 winst belasting over.! Terwijl je pas weer je eigen geld terug hebt. Als je dit spelletje steeds herhaal, zou er straks GEEN eigen geld meer over zijn, want de belasting heeft UW eigen GELD weggeroofd!
Dit geeft aan, dat de Politiek niets SNAPT , over wat beleggen is en zeker niet qua rendementen.
Het lijkt idd ernstige geldroof door de monopolist ” de fiscus”. Veel Politici begrijpen niet, dat veel bedrijven geld moeten halen bij aandeelhouders om te kunnen staryen of door te ontwikkelen of te overleven, omdat banken zoveel zeherheden willen, dat er geen bedrijviheid meer zou zijn. Vooral linkse partijen begrijpen niet, dat ” feitelijk de mede-eigenaren van bedrijven” vaak enorme risico’s lopen hun ingelegde kapitaal in een bedrijf te verliezen, als bijv. Marktomstandigheden plotseling wijzigen door bijv. Nieuwe concurrentie of producten, politieke besluiten, marktsluitingen door ” epidemieën. Zoals Corona varkenspest, oorlogsdreigingen etc.etc..
Verliezen worden bijv. niet door de overheid terugbetaald!! Als de linkse Overheid hoge vermogens wil belasten, vraag dan bijv. 2% vermogensbelasting van vermogens die hoger zijn dan €5 miljoen Euro.
Inkomsten ui de lagere vermogens tot €500.000,00 geheel vrijlaten om ook kleine spaarders dat bedrag te ” gunnen” om er plm. 20 jaren van te kunnen genieten tijdens hun pensioen. Dat is plm. €25.000,00 per jaar! Dus €2.000,00 per maand!!
Aandeelhouders bouwen de maatschappij vooral op. Voor lagere vermogens tussen 5 hondrrduizend tot 5 miljoen zou dan bijv. 1,2 % vermogensheffing kunnen gelden. Simpel en maakkelijk uit te voeren door de fiscus.
Hoezo “linkse overheid”?? We zijn al jaren overgeleverd aan liberale regeringen!! Maar inderdaad, het is een belachelijke manier van vermogensheffing. Dat moet véél eenvoudiger kunnen, bijvoorbeeld middels een heffing over gerealiseerde rendementen in combinatie met een vermogensbelasting zoals we die vóór 2000 kenden. Ergo: weg met dat boxenstelsel!
Vraagje voor XEA: waarom zouden nu ineens de politiek actieven/Kamerleden moeten snappen wat ze doen? Is dat dan ooit het geval geweest?
Vermogensaanwasbelasting is weer EEN NIEUWE VORM VAN FICTIEF RENDEMENT. Het belast de stijging van je vermogen op een peildatum, ongeacht of je de winst daadwerkelijk hebt gerealiseerd. Als de waarde daarna weer daalt, heb je alsnog belasting betaald over een fictief rendement dat je nooit daadwerkelijk hebt verdiend. Door dit systeem betaal je dus belasting over winst die alleen op papier bestaat, niet in werkelijkheid.
Het kan bovendien beleggers dwingen te verkopen om de belasting te betalen, wat de waarde van hun aandelen verder kan drukken.
Uit simulaties op basis van historische data blijkt dat het belasten volgens de voorliggende “Wet werkelijk rendement box 3″ er toe leidt dat beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld koopkracht verliezen ten opzichte van hun inleg.
Dat komt met name omdat deze wet is gebaseerd op het nominale werkelijke rendement en dus geen rekening houdt met inflatie. In de Memorie van Toelichting wordt onderkend dat het belasten van het reële werkelijke rendement het beste aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Echter om met name budgettaire redenen is daar niet voor gekozen.
Er zijn analyses en testen gedaan die simuleren alsof een bepaalde wet of voorstel van toepassing was voor een bepaalde voorgaande meerjarige periode.
Deze simulaties zijn op basis van de referenties en weging in de wet zoals die vanaf 2017 tot op heden van toepassing zijn.
Het betreft de periode van 24 jaar Box 3 vanaf eind 2000 (dus vanaf het moment dat Box 3 bestaat) en de periode van 8 jaar Box 3 vanaf eind 2016 (dus vanaf de invoering van de verschillende forfaitaire rendementen).
Als eindresultaat wordt gebruik gemaakt van het “Resulterend belastingpercentage” voor de gehele periode.
Bij een Resulterend belastingpercentage van 100% is de koopkracht op het eind van de periode gelijk aan die op het moment van de inleg. Boven 100% is er sprake van verlies aan koopkracht ten opzichte van het moment van inleg.
Daarmee zijn de gevolgen voor met name de betalers van de belastingen op beleggingen eenduidig te vergelijken.
De simulaties zijn gedaan op basis van beleggen in 70% aandelen en 30% obligaties.
Voor 24 jaar Box 3 vanaf eind 2000 is gevonden:
Op basis van de bestaande wet (zonder tegenbewijs) is dat 218%.
Bij de Wet werkelijk rendement Box 3 met het nominale werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 161%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 51%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 25% is dat 36%.
Voor een vaste belastingheffing van 0,20% is dat 36%.
Voor 8 jaar Box 3 vanaf eind 2016 is gevonden:
Op basis van de bestaande wet (zonder tegenbewijs) is dat 127%.
Voor het Hoge Raad werkelijke rendement (met tegenbewijs en zonder aftrek van kosten en zonder inflatiecorrectie) en een belastingtarief van 36% is dat 88%.
Bij de Wet werkelijk rendement Box 3 met het nominale werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 122%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 41%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 31,5% is dat 36%.
Voor een vaste belastingheffing van 0,48% is dat 36%.
De bestaande wet (zonder tegenbewijs) heeft dus voor beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld een flink koopkracht verlies ten opzichte van hun inleg veroorzaakt ondanks de lange periodes van 24 en 8 jaar.
Als de wet tegenbewijs zou hebben gegolden vanaf eind 2016 dan zou het “Resulterend belastingpercentage” voor de periode van 8 jaar gemiddeld uitkomen op maar liefst 88%.
Dat geeft een indicatie voor dit jaar en de komende jaren dat er nog geen andere wet van kracht is.
Het belasten volgens de voorliggende “Wet werkelijk rendement box 3″ veroorzaakt voor beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld dus ook het verlies van koopkracht ten opzichte van hun inleg.
Het is daarbij ook relevant om te kijken naar de complexiteit en het aantal jaren dat er geen belasting wordt geheven.
Bij de voorliggende wet wordt er van de 24 jaren in slechts 11 jaren belasting geheven en dus 13 jaren niet en van de 8 jaren in slechts 5 jaren en dus in 3 jaren niet. In de jaren met belastingheffing wordt er relatief veel belasting geheven.
Verder is er geen terugwaartse verliesrekening mogelijk hetgeen er toe kan leiden dat belasting moet worden betaald voor een voorgaand positief jaar terwijl er sprake is van verlies in het lopende jaar.
Een Belastingwet moet in de eerste plaats rechtvaardig zijn en dat ook als een aanpassing, om daaraan te gaan voldoen, minder budget oplevert binnen hetzelfde onderdeel van de wet.
De 4 versies met een Resulterend belastingpercentage van 36% zijn wel rechtvaardig te noemen.
De 2 versies daarvan met het reële werkelijke rendement zijn echter ook complex in de praktijk en het aantal jaren dat belasting wordt geheven is voor 24 jaar Box 3 slechts 8 jaren en voor 8 jaar Box 3 slechts 3 jaren.
Waar het nu veel over gaat is de vermogenswinstbelasting.
Deze is echter ook zeer complex, zal tot uitstelgedrag leiden en het zal meer dan 10 jaar ingroeitijd vragen.
In het advies van de Raad van State van maandag 2 december 2024 wordt geadviseerd om de budgettaire neutraliteit als uitgangspunt los te laten waardoor ruimte ontstaat om tot box 3-alternatieven te komen (blad 19).
Verder wordt aangegeven dat binnen de eisen van artikel 14 EVRM en 1 EP EVRM en de door de Hoge Raad daarover gewezen arresten een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen kan worden overwogen (blad18).
De reële rendementen vóór belasting zijn vaak veel lager dan verondersteld.
Ook moet het niet steeds ingewikkelder worden maar juist eenvoudiger.
Op grond daarvan kan worden gedacht aan een vaste belastingheffing op basis van de 1 januari vermogens.
De bepaling kan op basis van de gevonden waarden in de testen met een Resulterend belastingpercentage van 36% voor aandelen en obligaties en dergelijke. Daaruit volgt 0,20% voor 24 jaar Box 3 en 0,48% voor 8 jaar Box 3.
Er kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een belastingheffing voor beleggen van 0,50%.
Aangezien sparen al jaren op een negatief reëel rendement uitkomt kan daarvoor een belastingheffing van 0% worden aangehouden. Dus 2 percentages voor belastheffingen op basis van de 1 januari vermogens.
Een jaarlijks bij te stellen mogelijkheid is om terug te gaan naar de oorsprong van Box 3 met één forfaitair rendement voor alle Box 3 posten. Dat is op basis van de reële rendementen van de jongste tienjarige Nederlandse staatsobligaties minus 1% kosten. Dat kan bijvoorbeeld ook elk belastingjaar gemiddeld worden over de voorgaande 10 jaar.
Er is dan in feite gemiddeld budget neutraliteit met een deel van de staatsschuld. Als de rente op de staatsschuld stijgt, stijgen ook de inkomsten uit Box 3 en omgekeerd. Dat geldt ook reëel. Het is ook niet redelijk dat de staat een hoger reëel forfaitair rendement kiest voor haar burgers dan dat zijzelf uitkeert op staatsobligaties.
Belasten met één forfaitair rendement voor beleggen sluit ook aan op de plannen van de Europese Unie om investeringen door particulieren aan te moedigen en het door haar genoemde voorbeeld van de Zweedse “Investment Savings Account” (ISK). Het geeft de belastingbetaler voorspelbaarheid en rust. Dat geldt ook voor de belastingontvanger.
Zolang een betere wet er niet is, geldt dus de bestaande situatie met tegenbewijs die in feite al gemiddeld veel te zwaar belast voor beleggen in aandelen en obligaties, laat staan dat deze eerdere verliezen door overmatige belastingheffing compenseert.
Het argument dat de voorliggende Wet werkelijk rendement Box 3 nodig is omdat er anders budget verlies optreedt is niet verdedigbaar op grond van rechtvaardigheid en het is ook de vraag of de genoemde bedragen werkelijk zo hoog zijn.
Zal de Eerste Kamer gezien de genoemde bevindingen en de mogelijkheid om ruimte te maken voor een echt rechtvaardigere en eenvoudigere wetgeving tegen de Wet werkelijk rendement Box 3 stemmen?
Het meest realistische is m.i.:
Belast het totale gerealiseerd rendement over een jaar, gecorrigeerd voor inflatie, gewoon in Box1 samen met alle andere inkomsten.
Maar onze overheid heeft vele miljarden extra nodig, de fiscus ziet de bank en aandelen rekeningen en kijkt verlekkerd naar dit bedrag…..