De strafrechter oordeelde in 2024 dat de man zijn vrouw opzettelijk van het leven heeft beroofd en daaraan voorafgaand doodsbedreigingen heeft geuit. Maar hij is niet strafbaar omdat hij ontoerekeningsvatbaar was als gevolg van een psychische stoornis. Daarom kreeg hij tbs met voorwaarden opgelegd. Dat oordeel is laten bevestigd door het gerechtshof. De man heeft tegen de uitspraak overigens cassatie ingesteld.
Omdat de vrouw geen testament had, erft haar man in beginsel de nalatenschap. De zus en de moeder van de vrouw vinden dat niet terecht en hebben beslag laten leggen op de voormalige echtelijke woning en op persoonlijke spullen van de vrouw. Ze eisen dat de rechter de man onwaardig verklaart om te erven.
Geen veroordeling is toch erven
De rechter overweegt dat iemand die ernstige misdrijven jegens de overledene heeft gepleegd, in principe niet kan erven. De zus en de moeder doen een beroep op de wettelijke bepaling dat iemand die onherroepelijk is veroordeeld voor het ombrengen van de overledene van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken.
Als de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand laat, dan geldt dat aan het vereiste van een onherroepelijke veroordeling niet is voldaan, aldus de rechter. De twee vrouwen vinden echter dat die eis niet van toepassing is en verwijzen naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Die oordeelde over een man die zijn echtgenote en schoonmoeder had gedood en enkele uren later zichzelf. Door de zelfmoord was het niet van een strafrechtelijke procedure gekomen. In dit geval vond het EHRM dat er sprake was van een uitzonderlijke omstandigheid die maakte dat de man niet als erfgenaam kon worden aangemerkt.
Redelijkheid en billijkheid
De moeder en zus vinden dat ook hier sprake is van bijzondere omstandigheden. Ze verwijzen naar de beruchte ‘Beuningse martelmoord’ uit 2015, waarbij een man niet strafrechtelijk veroordeeld werd, maar toch onwaardig werd geacht om van zijn echtgenote te erven. Daarin heeft de Hoge Raad echter overwogen dat onder een veroordeling niet kan worden verstaan een uitspraak van een strafrechter waarin wel is bewezenverklaard dat de verdachte een in die bepaling bedoeld feit heeft begaan, maar de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een strafuitsluitingsgrond. “Dat is in deze zaak ook het geval.” De kwestie bij het EHRM was vanwege de zelfmoord ook wezenlijk anders dan deze zaak.
Maar moeten hier de redelijk en billijkheid geen rol spelen, vragen de twee vrouwen zich af. Juist de Hoge Raad gaf daar in de genoemde uitspraak belang aan en kwam tot het oordeel dat de man uiteindelijk toch niet waardig was om te erven omdat hij zijn vrouw en haar familie jarenlang had geterroriseerd.
De maatstaven van maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten echter terughouden worden toegepast, aldus de rechter. De twee vrouwen zien parallellen met de martelmoordzaak omdat ook hun zwager/schoonzoon zijn vrouw op gruwelijke wijze van het leven heeft beroofd door haar te wurgen en zich lange tijd agressief en grensoverschrijdend heeft gedragen. Bovendien was de man arbeidsongeschikt en had hij weinig vermogen toen hij trouwde.
Vergelijking gaat mank
De agressieve houding van de man wordt aangetoond door een geluidsopname die hij zelf eerder heeft gemaakt op een moment dat hij kennelijk zijn echtgenote een verdovend middel heeft toegediend: “Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent”, zei hij, en: “Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.” Vervolgens is hij op de vrouw gaan zitten.
Maar dat alles vond plaats tijdens een psychose, zo houdt de rechtbank vast aan de uitleg dat de man zijn handelen niet kan worden toegerekend. De vergelijking met de martelmoord gaat niet op: “In de zaak van de Hoge Raad heeft de man vanuit een (langdurige) psychose zijn echtgenote gedurende een langere periode veelvuldig en ernstig mishandeld en uiteindelijk op een zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Dat [de man] [de vrouw] vaker mishandelde, hebben [de eiseressen] niet gesteld en het is ook niet gebleken. Daarnaast is het zo dat doodslag bijna altijd gepaard gaat met geweld. De rechtbank realiseert zich dat dit het verdriet voor de nabestaanden nog moeilijker te dragen maakt. Toch kan de rechtbank niet anders dan meewegen dat het geweld waarmee [de man] [zijn vrouw] volgens het hof om het leven heeft gebracht (hoe fors ook) van een andere orde is dan het geweld dat in de zaak van de Hoge Raad heeft plaatsgevonden.”
Bijgedragen aan vermogensopbouw
Een wantrouwend en controlerende houding tijdens het twintigjarige huwelijk acht de rechter niet bewezen. De man spreekt dat tegen en ook getuigenverklaringen van vriendinnen wijzen daar niet op. Bovendien heeft de man met succes aangevoerd dat hij tijdens het huwelijk aan de opbouw van het vermogen heeft bijgedragen, onder meer door inkomen in te brengen, de echtelijke woning te bouwen en samen met zijn broer een huis in Tsjechië te bouwen. De rechter snapt dat de zus en de moeder niet willen dat de man indirect ook van zijn schoonvader erft, maar het gaat om geld en niet (ook) om goederen. “Anders dan in de zaak van de Hoge Raad het geval was, hoeven eiseressen en gedaagde dus niet samen een nalatenschap af te wikkelen. Als de vordering opeisbaar wordt, zal deze moeten worden uitbetaald als daarvoor voldoende vermogen aanwezig is.”
Er zijn niet voldoende bijzondere bijkomende omstandigheden om te kunnen oordelen dat de man onwaardig is om te erven, zo besluit de rechter. De gelegde beslagen moeten worden opgeheven.
Rechtbank Midden-Nederland, 21 januari 2026 (gepubliceerd 3 maart 2026)


Geef een reactie