Een BV houdt 100% van de aandelen in een dochter-BV en samen vormen zij een fiscale eenheid voor de Vpb. In 2001 is de dochter beherend vennoot van een cv. In 2017 wordt ook het commanditaire belang overgedragen aan de dochter waardoor die zowel beherend als commanditair vennoot wordt. De cv heeft een rekening-courantschuld aan een gelieerde BV in verband met niet betaalde managementfees. De schuld, waarvan geen schriftelijke overeenkomst aanwezig is, is jaarlijks opgelopen en bedraagt aan het begin van het boekjaar 2020 € 6.101.181,-.
Op 2 juni 2015 wordt de cv failliet verklaard. In het kader van de afwikkeling van het faillissement heeft de curator een akte van cessie gesloten met de dochter-BV waarbij zij op 14 september 2020 de rekening-courantschuld over heeft genomen voor een bedrag van € 2.500,-. Bij het vaststellen van de aanslag wijkt de inspecteur af van de aangifte. Hij merkt een bedrag van € 6.098.681,- aan als kwijtscheldingswinst voor de vrijval van de schuld en hij past in dit kader de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe.
Rekening-courantschuld is teniet gegaan
De inspecteur stelt dat de cessie heeft geleid tot een kwijtscheldingswinst. Volgens hem is er namelijk sprake van een overname van een vordering door feitelijk dezelfde partij die ook de schuld heeft. Op het moment dat het commanditaire belang in de cv aan de dochter-BV heeft overgedragen, is geen sprake meer van een samenwerkingsverband in de vorm van een cv. De activa en passiva zijn daardoor toe te rekenen aan de dochter-BV. Volgens de inspecteur is er door de cessie sprake is van vermenging met als gevolg dat de rekening-courantschuld teniet is gegaan.
De BV bestrijdt dat de cv is opgehouden te bestaan en is van mening dat van een vrijval van de schuld van de cv geen sprake kan zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de BV naar de inschrijving van de cv bij de Kamer van Koophandel. Tijdens de zitting erkent de BV wel dat fiscaal gezien schuldvermenging plaats heeft gevonden, maar dit zou echter niet geleid hebben tot een kwijtschelding.
Geen sprake meer van samenwerkingsverband
De rechtbank stelt voorop dat de dochter-BV door de overdracht van het commanditaire belang zowel de enige beherend vennoot als de enige commanditaire vennoot van de cv is geworden. Dit betekent dat van een samenwerkingsverband geen sprake meer is. Het enkele feit dat de cv nog staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maakt dit niet anders. Als gevolg van de cessie is de dochter-BV zowel schuldeiser als schuldenaar geworden. Dit brengt mee dat de verbintenis door de schuldvermenging teniet is gegaan en dat de rekening-courantschuld hierdoor is vrijgevallen.
De BV stelt verder dat voor zover de schuld van de cv hoger was dan de overnameprijs geen sprake is van winst, maar van een informele kapitaalstorting. Volgens de BV is bij de overname van de vordering door de uiteindelijke aandeelhouders gehandeld in hun hoedanigheid als aandeelhouder en niet als schuldeiser. Van een kwijtschelding is geen sprake omdat er geen kwijtscheldingsovereenkomst is opgesteld. Naar de mening van de BV kwalificeert de rekening-courant verhouding als onzakelijke lening, bodemlozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Geen sprake van informele kapitaalstorting
De rechtbank overweegt dat van een informele kapitaalstorting sprake is als de ‘aandeelhouder op grond van de vennootschappelijke betrekkingen aan een vennootschap een voordeel doet toekomen, dat de aandeelhouder onder gelijke omstandigheden aan een onafhankelijke vennootschap niet zou hebben verschaft’.
Uit de akte van cessie volgt dat de curator bij de overdracht van de vordering namens de gelieerde BV heeft opgetreden. Zonder nadere onderbouwing is niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van een informele kapitaalstorting. Ook al omdat deze curator handelt namens de failliete BV in het belang van de schuldeisers en niet in het belang van de aandeelhouders.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een onzakelijke lening, bodemlozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waardoor de kwijtschelding zou leiden tot een informele kapitaalstorting. Het is onduidelijk wat de partijen exact zijn overeengekomen omdat de BV geen leningsovereenkomst of andere stukken overgelegd heeft waaruit volgt onder welke voorwaarden de lening is aangegaan.
Vrijval in eerder jaar niet van toepassing
Als laatste betoogde de BV nog dat voor zover sprake is van een vrijval die leidt tot een kwijtscheldingswinst, die vrijval niet pas in 2020 plaats zou hebben gevonden maar in een eerder jaar omdat nooit enige poging is gedaan tot inning van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank is echter het enkele gegeven dat nooit een poging is gedaan tot inning van de schuld onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is geweest van vrijval in een eerder jaar.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het bij de vrijval van de schuld opkomende voordeel tot de winst behoort. De inspecteur heeft de winst terecht als kwijtscheldingswinst in aanmerking genomen en in dit kader de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast. De rechtbank merkt daarbij op dat de BV niet in een voordeligere positie kan komen te verkeren als geoordeeld zou worden dat geen sprake is van kwijtscheldingswinst, maar van een reguliere winst.
Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet
De rechtbank oordeelt dat van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel geen sprake kan zijn. Als argument hiervoor voerde de BV aan dat zij op basis van overleg met de inspecteur dat in 2015 heeft plaatsgevonden erop mocht vertrouwen dat de lening als onzakelijk zou kwalificeren en een eventuele vrijval bij haar niet zou resulteren in een belastbare winst.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heeft gesteld dat in 2015 geen expliciet standpunt is ingenomen met betrekking tot de vordering op de cv. Er was geen leningsovereenkomst, geen samenvatting van de gemaakte afspraken of mogelijke afwijking van de gemaakte afspraken overgelegd en er is geen nadere toelichting verstrekt met betrekking tot het motief om de geldverstrekking aan te gaan.
De BV heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de BV kon afleiden dat de inspecteur heeft toegezegd dat een vrijval niet tot belastbare winst zou leiden. De enkele stelling dat de Belastingdienst zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een onzakelijke lening is evenmin voldoende.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en de aanslag blijft in stand.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:969


Geef een reactie