In november 2019 wordt een ondernemer door haar gemachtigde aangemeld voor de kleineondernemersregeling (KOR). In december 2019 bevestigt de inspecteur in zijn brief verzonden aan de ondernemer de deelname aan de KOR. In maart 2021 doet de gemachtigde van de ondernemer een verzoek om beëindiging van de KOR omdat deze abusievelijk was aangevraagd. De gemachtigde doet ook een verzoek om activering van het BTW-nummer van de ondernemer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.
De inspecteur ontvangt in maart 2021 de aangifte omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. In de aangifte is € 785,- als verschuldigde omzetbelasting en € 3.131,- als voorbelasting opgenomen. Een maand later geeft de inspecteur aan dat het verzoek om beëindiging van de KOR niet in behandeling wordt genomen, omdat niet het juiste afmeldformulier is gebruikt. De gemachtigde doet vervolgens door middel van het daarvoor bestemde afmeldformulier alsnog een verzoek om beëindiging van de KOR, met ingangsdatum 1 juli 2021.
Wettelijke termijn niet verstreken
Dat verzoek wijst de inspecteur af omdat de regeling geldt voor minimaal 3 jaar en deze wettelijke termijn nog niet was afgelopen. De ondernemer heeft dan al over 2020 aangifte omzetbelasting gedaan met € 785,- verschuldigde omzetbelasting en € 3.131,- voorbelasting. In mei 2021 verleent de inspecteur conform de ingediende aangifte, een teruggaaf van omzetbelasting van € 2.346,-.
Twee jaar later legt de inspecteur een navorderingsaanslag op van € 3.131,- en een verzuimboete vanwege het niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de gestelde termijn betalen van de omzetbelasting. De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en niemand opdracht heeft gegeven of gemachtigd heeft om dit voor haar te doen. Het verzoek tot deelname aan de KOR wordt niet gesteund door de verleende volmacht. De inspecteur stelt dat uit de machtiging volgt dat de gemachtigde wel bevoegd was om deelname aan de KOR aan te vragen.
Machtiging toereikend voor aanvraag deelname KOR
In beroep overweegt de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. Daarbij merkt de rechtbank op dat de gemachtigde zelf niet heeft aangegeven dat hij niet bevoegd was, maar enkel dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd.
De ondernemer verklaart dat zij zich niet kan herinneren dat zij de aan haar verzonden brieven heeft gezien waarin de bevestiging van deelname aan de KOR is medegedeeld. Uit het feit dat de ondernemer geen actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken, leid de rechtbank af dat de ondernemer en de gemachtigde oorspronkelijk wel van mening waren dat de gemachtigde bevoegd was om in verband met de aangifte ook regelingen zoals de KOR aan te vragen.
De rechtbank oordeelt dat de machtiging toereikend was om de deelname aan de KOR aan te vragen, dat de deelname aan de KOR door de inspecteur is verleend en dat de ondernemer gedurende het gehele jaar 2020 aan de voorwaarden van de KOR heeft voldaan. Daarom is de KOR van toepassing in het jaar 2020 en is de naheffingsaanslag in beginsel terecht opgelegd.
Beroep op vertrouwensbeginsel faalt
Nu is vastgesteld dat de KOR van toepassing is rest nog de vraag of het beroep op het vertrouwensbeginsel dat de ondernemer heeft gedaan kan slagen. De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was, omdat de inspecteur haar heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en vervolgens met kennis van alle gegevens weloverwogen een teruggaaf heeft verleend. De inspecteur betwist dat de ondernemer voor het jaar 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting wat ook niet gebleken is uit de aangeleverde stukken.
De ondernemer heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij voor het jaar 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. De ondernemer is wel voor het jaar 2022 uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. Zij heeft kort daarna een brief ontvangen dat deze uitnodigingen abusievelijk zijn verzonden, omdat zij in 2022 nog deelnam aan de KOR. Naar het oordeel van de rechtbank kan de ondernemer in deze omstandigheden aan de uitnodiging om over 2022 aangifte omzetbelasting te doen niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de KOR toch met terugwerkende kracht was beëindigd per 1 januari 2020.
Ingediende aangifte niet bepalend
Verder heeft de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk geweigerd om de deelname aan de KOR te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de ondernemer dan aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.
De naheffingsaanslag is daarom terecht aan de ondernemer opgelegd. De rechtbank overweegt dat bij deelname aan de KOR geen recht op aftrek van belasting bestaat en geen omzetbelasting gefactureerd dient te worden. De ondernemer heeft ondanks de deelname aan de KOR toch omzetbelasting in rekening gebracht. De door de ondernemer gefactureerde omzetbelasting is zij op grond van artikel 37 van de Wet OB 1968 verschuldigd.
De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden om de onterecht gefactureerde omzetbelasting te herzien, waaronder het verzenden van creditfacturen. De naheffingsaanslag omvat daarom naast het eerder ten onrechte teruggegeven bedrag van € 2.346,- ook de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting van € 785,-. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag tot de juiste hoogte opgelegd. De verzuimboete wordt wel verminderd tot nihil.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:8458


Geef een reactie