Zaak nr: 25/1779 Wtra AK
De zitting draait om de vraag of de accountant bij de controle van de jaarrekeningen 2017, 2018 en 2019 van de fondsen DVR en DVD van beheerder De Veste voldoende kritisch is geweest. De beleggers, die gezamenlijk miljoenen euro’s verloren, stellen dat hij waarschuwingstekens rond de fondsbeheerder heeft gemist of genegeerd.
“Hij was op de hoogte, of had dat moeten zijn, van een lopend AFM-onderzoek,” betoogde advocaat Rik Sieben. Dat onderzoek naar de ‘beheerste en integere uitoefening’ van de bedrijfsvoering werd al in december 2017 aangekondigd. In de jaren daarna volgde volgens de beleggers meer correspondentie over onder meer governance-problemen. Toch bleef het stil in de controleverklaringen.
Centraal in het verwijt staat dat de accountant onvoldoende professionele scepsis zou hebben betracht. De AFM signaleerde onder meer dat in 2017 een bedrag van 350.000 euro tijdelijk uit de onderneming werd gehaald en vlak voor het einde van het boekjaar werd teruggestort om de cijfers te beïnvloeden. Kort na de jaarafsluiting verdween het geld opnieuw. Voor de toezichthouder was dat een duidelijke aantasting van het getrouwe beeld.
Volgens de beleggers had dit aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek en mogelijk een andere controleaanpak. “Een behoorlijk handelend accountant had kritischer moeten zijn en dieper moeten graven,” aldus Sieben.
De discussie spitste zich ook toe op de zekerheden onder de beleggingen. Die bestonden grotendeels uit pandrechten op onderliggende leningen. Volgens de beleggers waren die feitelijk waardeloos, omdat terugbetaling afhankelijk was van dezelfde kasstromen. “Als de leningen niet worden terugbetaald, zijn die zekerheden niets waard,” stelde Sieben. De accountant zou de kwaliteit en uitwinbaarheid daarvan onvoldoende hebben onderzocht.
De verdediging bestreed dat beeld krachtig. Advocaat Simone Hoogeveen wees erop dat klagers volgens haar verschillende entiteiten door elkaar halen. “Het AFM-onderzoek had betrekking op de fondsbeheerders en niet op de fondsen zelf,” stelde zij. De controle van de fondsen zou volgens de geldende standaarden zijn uitgevoerd.
Volgens Hoogeveen is hier sprake van een klassieke valkuil: beoordelen met kennis achteraf. “Het lijkt erop dat klagers, met hindsight bias, menen dat aanvullende controlewerkzaamheden nodig waren. Dat is onjuist.” De correspondentie met de AFM in 2017 en 2018 had volgens haar bovendien geen directe impact op de financiële positie van de fondsen.
Ook benadrukte de verdediging dat cruciale informatie niet met de accountant is gedeeld. Zo zou hij niet tijdig zijn geïnformeerd over ‘normoverdragende’ gesprekken, noch over de aankondiging van de AFM in mei 2019 om de vergunning van de beheerder in te trekken, noch over het conceptrapport dat kort daarna volgde. “Hij kon dat dus niet meenemen in de controle van 2018,” aldus Hoogeveen.
De accountant zelf lichte tijdens de zitting toe hoe hij destijds bij de fondsen betrokken raakte. In 2017 accepteerde hij de opdracht, mede na overleg met de vorige accountant, Witlox. “Er was sprake van een professionaliseringsslag,” zei hij. Wel waren er aanwijzingen dat de toezichthouder verbeteringen had geëist, maar de ernst daarvan – ‘normoverdragend’ – was hem naar eigen zeggen niet volledig duidelijk.
De voorzitter van de tuchtrechters legde daar direct de vinger op. “Had u niet kritischer moeten doorvragen?” De accountant erkende dat hij achteraf gezien meer had willen weten, maar benadrukte dat hij destijds geen concrete feiten had die zwaardere conclusie rechtvaardigden. “Als je rapporteert, moeten er feiten zijn. Die waren er toen niet.”
De tuchtrechters zochten hoorbaar naar de kern: in hoeverre kan een accountant worden verweten dat informatie niet is gedeeld? “Als hij zegt dat het hem nooit is verteld, kun je het hem dan aanrekenen?” vroeg de voorzitter aan de advocaat van klagers. Die hield voet bij stuk: de accountant wist al jaren van het lopende onderzoek en had actiever moeten informeren.
De discussie raakte daarmee aan een fundamenteel punt in het accountantsberoep: hoe ver strekt de plicht tot doorvragen bij signalen van mogelijke misstanden? Volgens de beleggers had de accountant eerder moeten ingrijpen, bijvoorbeeld door een zwaardere controleaanpak of door expliciete waarschuwingen op te nemen.
De verdediging wees erop dat dit uiteindelijk ook is gebeurd, maar pas in 2019, toen het definitieve AFM-rapport beschikbaar kwam. In de controleverklaring over dat jaar werd een paragraaf opgenomen over een materiële onzekerheid rond de continuïteit. Daarnaast werden extra specialisten ingeschakeld en werd de kwestie intern opgeschaald.
Volgens de accountant waren de verliezen uiteindelijk vooral het gevolg van de coronapandemie, die de onderliggende leningen en kasstromen onder druk zette. De beleggers bestrijden dat en zien juist de eerdere governance-problemen als de kiem van de ondergang.
Aan de zaak ging een civiele procedure vooraf. In 2025 oordeelde de rechtbank dat KPMG niet aansprakelijk was voor de verliezen van twee beleggers. De rechter stelde dat de accountant zijn controleplicht niet had geschonden en dat er destijds geen aanleiding was voor aanvullende waarschuwingen. Ook oordeelde de rechter dat de rol van de accountant niet zover strekt dat hij verantwoordelijk is voor het beleggingsbeleid of de risico’s daarvan.


Geef een reactie