Het consultatievoorstel beoogt een einde te maken aan een fiscaal voordeel bij het afdekken van valutarisico’s. Nu is de ‘extra’ rente op leningen in zwakkere valuta aftrekbaar, terwijl het volledige koersresultaat onder de deelnemingsvrijstelling valt. Het kabinet wil dat zogenoemde ingeprijsde valutaresultaat voortaan niet langer aftrekbaar maken.
Lastig vast te stellen
Volgens de NOB onderschat het voorstel de praktische problemen. Het onderscheid tussen ingeprijsde en niet-ingeprijsde valutaresultaten is in theorie helder, maar in de praktijk moeilijk te maken, vooral bij complexe financiële instrumenten zoals opties of contracten met variabele voorwaarden. Ook ontbreekt volgens de NOB een duidelijke methode om een vergelijkbare eurorente vast te stellen, wat in de praktijk tot discussies met de Belastingdienst kan leiden.
Onevenwichtig
De NOB wijst erop dat de voorgestelde regeling juist kan leiden tot nieuwe onevenwichtigheden. Door samenloop met bestaande renteaftrekbeperkingen kan belasting worden geheven over een valutaresultaat dat economisch niet is gerealiseerd. In bepaalde situaties kan een onderneming daardoor per saldo belasting betalen terwijl er geen winst is gemaakt. Dat staat volgens de organisatie haaks op het doel van het voorstel, namelijk een evenwichtiger fiscale behandeling.
‘Budgetgedreven’ wetgeving
Opvallend is dat de NOB het voorstel plaatst in een bredere context van wetgeving die primair is ingegeven door budgettaire overwegingen. De maatregel moet een derving opvangen die voortvloeit uit een arrest van de Hoge Raad uit 2025. Volgens de adviseurs schuurt die aanpak met de ambitie van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast wijst de NOB op juridische knelpunten. Zo is onduidelijk wanneer sprake is van een ‘volledig verzoek’ om de regeling toe te passen, terwijl dat moment bepalend is voor de fiscale behandeling.
Ook de rechtsbescherming schiet tekort. Belastingplichtigen kunnen pas bij de definitieve aanslag bezwaar maken tegen de omvang van het valutaresultaat, wat kan leiden tot jarenlange onzekerheid. Verder ontbreekt overgangsrecht voor bestaande instrumenten, waardoor ook lopende structuren vanaf 2027 ineens anders worden belast.
Eenvoudiger alternatief
De NOB stelt een alternatief voor dat volgens haar eenvoudiger en beter uitvoerbaar is. In plaats van een onderscheid tussen ingeprijsde en niet-ingeprijsde resultaten, zouden valuta-afdekinstrumenten automatisch onder de deelnemingsvrijstelling moeten vallen. Daarmee wordt de valutacomponent feitelijk ‘gedefiscaliseerd’ en vervalt de noodzaak tot ingewikkelde berekeningen en voorafgaande verzoekprocedures.
Bron: NOB


Geef een reactie