Dat komt naar voren in de rubriek Ongebruikelijke transacties, waarin de Belastingdienst een casus heeft gepubliceerd over het accountantskantoor dat onderwerp werd van onderzoek door toezichthouder BFT.
Horecaondernemer
Het onderzoek richtte zich op een horecaondernemer die binnen anderhalf jaar voor circa 7 miljoen euro aan onroerend goed verwierf zonder daarbij eigen middelen in te brengen. Volgens het BFT paste dit transactiepatroon niet bij de aard en omvang van de onderneming. De financiering van de panden gebeurde in belangrijke mate door particuliere partijen (circa 85%). Deze financiers werden vaak ook mede-eigenaar van de onroerendgoedobjecten. Op papier bracht de ondernemer gelden in (circa 15%) via diens persoonlijke holding. Die middelen bleken afkomstig van één privépersoon die tevens als verkoper bij meerdere transacties betrokken was. De ondernemer had volgens het accountantskantoor een bevriende relatie met deze partij.
Daarnaast werd vastgesteld dat bij sommige transacties sprake was van snelle doorverkoop op dezelfde dag, een zogenoemde ABC-transactie, waarbij in een concreet geval een winst van meer dan 100 procent werd gerealiseerd. Deze omstandigheden gaven volgens het BFT aanleiding om de rol van het betrokken accountantskantoor te onderzoeken.
Onderzoek BFT
Uit dat onderzoek kwam naar voren dat het accountantskantoor geen zelfstandig onderzoek had gedaan naar de vastgoedtransacties en de herkomst van de financiering. Het kantoor stelde zich op het standpunt dat de betrokken notaris de Wwft-aspecten al had beoordeeld en zag geen aanleiding om een ongebruikelijke transactie te melden. Het accountantskantoor gaf aan op een later moment documenten van de ondernemer te hebben ontvangen, die het ongebruikelijke karakter van de transacties duidelijk maakten. Wel zijn op enig moment mondeling vragen gesteld aan de cliënt, maar daarvan is geen dossiervastlegging gemaakt. De accountant was verder van mening zelf over voldoende informatie te beschikken om de transacties in alle facetten te kunnen beoordelen.
Zelf verantwoordelijk
De Belastingdienst benadrukt dat een accountantskantoor ook bij betrokkenheid van andere Wwft-instellingen zelf verantwoordelijk blijft voor het uitvoeren van cliëntenonderzoek en het monitoren van transacties. In dit geval had, gelet op de feiten en omstandigheden, een verscherpt cliëntenonderzoek op grond van paragraaf 2.3 Wwft moeten worden ingesteld.
Omdat dit achterwege bleef, beschikte het kantoor volgens het BFT over onvoldoende informatie om te beoordelen of sprake was van een ongebruikelijke transactie. Aanvullend onderzoek had mogelijk kunnen leiden tot een melding van een ongebruikelijke transactie bij de FIU Nederland.


Geef een reactie