In de zaak stond een verdachte centraal die als (indirect) bestuurder betrokken was bij twee vennootschappen. Over meerdere jaren waren geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan. Het hof oordeelde dat de verdachte zelf als pleger kan worden aangemerkt van het in artikel 69, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) strafbaar gestelde feit: het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte.
Pleger
De Hoge Raad corrigeert dat oordeel en bakent daarbij af wie als pleger kan gelden. Centraal staat dat de strafbaarstelling ziet op degene die de aangifte niet doet. Volgens de Hoge Raad moet daaronder worden verstaan: degene die tot het doen van aangifte gehouden is. Die verplichting ontstaat niet rechtstreeks uit de wet, maar pas op het moment dat een aangiftebiljet wordt uitgereikt aan de belastingplichtige, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, AWR.
Het hof had kennelijk aangenomen dat de verdachte, als bestuurder en feitelijke handelende persoon, zelf die aangifteplicht droeg. Dat is volgens de Hoge Raad een onjuiste rechtsopvatting. De aangifteplicht rust namelijk op de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht en op wiens belastingplicht de aangifte betrekking heeft. Dat is hier de vennootschap zelf, en niet (ook) de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt.
Bestuurder
Daarmee maakt de Hoge Raad duidelijk dat het enkele feit dat een bestuurder feitelijk verantwoordelijk is voor de administratie of communicatie met de Belastingdienst, hem nog niet tot pleger maakt van het niet doen van aangifte in de zin van artikel 69 AWR. Het hof had dus ten onrechte de verdachte als pleger aangemerkt voor de vennootschapsbelastingaangiften.
De Hoge Raad verwijst daarbij naar eerdere rechtspraak, waarin al was uitgemaakt dat de aangifteplicht nauw is gekoppeld aan de tenaamstelling van het aangiftebiljet en de belastingplicht van de entiteit waarop dat biljet ziet. Dat de verdachte volgens het dossier zelf de administratie voerde en erkende dat de aangiften niet waren ingediend, doet daar niet aan af.
Medepleger, uitlokker of feitelijk leidinggever
De Hoge Raad merkt op dat dit niet betekent dat een bestuurder buiten schot blijft. De artikelen 47 tot en met 51 van het Wetboek van Strafrecht bieden ruimte om betrokkenheid anders dan als pleger strafrechtelijk te kwalificeren, bijvoorbeeld als medepleger, uitlokker of feitelijk leidinggever. In deze zaak was echter juist de kwalificatie als pleger beslissend.
De zaak kent daarnaast een procedureel aspect. In cassatie was het beroep formeel beperkt, onder meer niet gericht tegen een vrijspraak van medeplegen. De Hoge Raad gaat aan die beperking voorbij, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak uit 2013, en beoordeelt het middel toch inhoudelijk.
De uitkomst is dat de uitspraak van het hof partieel wordt vernietigd, specifiek voor het onder 1 bewezenverklaarde feit – het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting – en de strafoplegging. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling op dat punt. Voor het overige blijven de beslissingen van het hof in stand.


Geef een reactie