Op basis van artikel 7:405 lid 2 BW is daarom een ‘redelijk loon’ verschuldigd, dat de rechtbank vaststelt op €223.425,20 inclusief btw, waarbij beide partijen grotendeels in hun vorderingen zijn afgewezen.
De rechtbank Den Haag maakt daarmee een einde aan een langslepende discussie tussen een accountantsorganisatie en (de persoonlijke vennootschap van) een accountant over de vergoeding voor diens werkzaamheden als eindverantwoordelijk accountant, nadat partijen er ondanks maandenlange onderhandelingen niet in slaagden hun nieuwe samenwerking contractueel vast te leggen. De rechtbank oordeelt dat weliswaar vaststaat dat de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van de accountant vanaf oktober 2023 ingrijpend veranderden, maar dat nooit overeenstemming is bereikt over de financiële voorwaarden die daarbij hoorden. Daarom moet volgens de rechtbank worden teruggevallen op artikel 7:405 lid 2 BW: er is een “redelijk loon” verschuldigd.
Overeenkomst van opdracht
Het geschil ging over de samenwerking tussen de persoonlijke vennootschap van de accountant en een accountants- en adviesorganisatie gericht op het mkb. Tot 30 september 2023 werkte de accountant op basis van een overeenkomst van opdracht tegen een tarief van €110 per uur exclusief btw. In september 2023 spraken partijen over een nieuwe rol: de accountant zou voortaan optreden als tekenend en eindverantwoordelijk accountant. Daarmee kreeg hij binnen de organisatie een zwaardere positie, inclusief formele verantwoordelijkheid voor controleopdrachten.
De rechtbank constateert dat die nieuwe positie in de praktijk ook daadwerkelijk gestalte kreeg. De accountant werd bij de AFM geregistreerd als extern accountant, trad toe tot het vaktechnisch overleg van directeurs en presenteerde zich op LinkedIn als eindverantwoordelijk accountant. Ook verrichtte hij vanaf oktober 2023 daadwerkelijk werkzaamheden in die hoedanigheid.
Beloning nieuwe rol
Maar rond de beloning voor die nieuwe rol ging het mis. Pas op 20 december 2023 stuurde de accountantsorganisatie een concept-addendum waarin een nieuwe vergoedingsstructuur werd voorgesteld. Niet langer zou uitsluitend per uur worden afgerekend; de accountant zou voor opdrachten waarvoor hij eindverantwoordelijk was 70 procent van het operationele resultaat ontvangen, verminderd met diverse kostenposten. Daarnaast werd gewerkt met maandelijkse voorschotten.
Geen volledige overeenstemming
Volgens de accountantsorganisatie was daarover feitelijk al op 6 september 2023 overeenstemming bereikt, maar de rechtbank volgt dat niet. Daarbij speelt mee dat het concept-addendum pas maanden later werd gestuurd en expliciet om akkoord werd gevraagd. Bovendien reageerde de accountant vrijwel direct met bezwaren. In een e-mail van 26 december 2023 schreef hij onder meer dat hij niet zeker wist of het voorstel hem wel “vooruitgang” bood, dat hij een eerder besproken bonus miste en dat hij een minimuminkomen wilde afspreken.
De rechtbank wijst erop dat daarna nog meerdere nieuwe voorstellen volgden, onder meer in april en juni 2024. Dat onderstreept volgens de rechtbank juist dat van volledige overeenstemming geen sprake was. Ook uit een later door de accountantsorganisatie aangehaalde e-mail uit oktober 2024 kon volgens de rechtbank niet worden afgeleid welke concrete afspraken partijen eerder precies zouden hebben gemaakt.
Tegelijkertijd krijgt ook de accountant niet volledig gelijk. Volgens de rechtbank mocht hij er niet vanuit gaan dat het oude uurtarief van €110 zonder meer bleef gelden na 30 september 2023. Partijen hadden immers juist gesproken over een wezenlijk andere functie met een andere beloningsstructuur. Dat de facturen over oktober tot en met december 2023 nog op uurbasis werden betaald, betekent volgens de rechtbank niet dat daarmee ook voor heel 2024 stilzwijgend was ingestemd met voortzetting van het oude model.
Gebruikelijk loon
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het loon van de accountant vast te stellen aan de hand van een “gebruikelijke” berekeningsmethode. Volgens de rechtbank hadden partijen juist afgesproken dat de accountant vanaf oktober 2023 als eindverantwoordelijk accountant zou gaan werken tegen een omzetgerelateerde vergoeding, waardoor een klassieke uurtje-factuurtjeafrekening niet meer voor de hand lag.
De accountantsorganisatie stelde dat aansluiting moest worden gezocht bij haar laatste voorstel van 25 juni 2024, omdat die systematiek ook gold voor andere partners binnen de organisatie. Op basis daarvan berekende zij dat de accountant recht had op slechts €60.476 exclusief btw en dus, gezien de al betaalde bedragen, ruim €141.000 te veel had ontvangen.
Tijdens de mondelinge behandeling zette de rechtbank echter vraagtekens bij die vergelijking met andere partners. Zo kon de organisatie niet duidelijk uitleggen waarom de accountant enerzijds als partner werd gepresenteerd, maar anderzijds werkte op basis van een overeenkomst van opdracht. Ook bleek dat binnen de organisatie verschillende constructies naast elkaar bestonden en dat de accountant in de praktijk niet dezelfde bevoegdheden had als andere partners: hij mocht bijvoorbeeld geen eigen personeel aannemen en geen offertes ondertekenen. Omdat onvoldoende duidelijk was welke voorwaarden voor andere partners precies golden en waarom die situatie vergelijkbaar zou zijn met die van de accountant, oordeelt de rechtbank dat geen gebruikelijk loon kan worden vastgesteld. Daarmee strandt ook de primaire reconventionele vordering van de accountantsorganisatie, die volledig was gebaseerd op haar eigen partnervergoedingensystematiek.
Redelijk loon
Omdat geen vergoeding was overeengekomen en ook geen gebruikelijk loon kon worden vastgesteld, kwam de rechtbank uit bij de vraag wat in dit concrete geval een redelijk loon was. Daarbij verwijst de rechtbank uitvoerig naar de maatstaf van de Hoge Raad over artikel 7:405 lid 2 BW. Volgens die rechtspraak hangt een redelijk loon onder meer af van de aard en omvang van de werkzaamheden en van wat binnen de branche gebruikelijk is.
Forensisch accountant
De accountantsorganisatie voerde nog aan dat de accountant juist fors te veel had ontvangen. Volgens een ingebracht rapport van een forensisch accountant zouden honderden uren zijn geschreven zonder dat daar noemenswaardige werkzaamheden tegenover stonden. De rechtbank schuift dat rapport echter terzijde. Daarbij weegt mee dat de accountant pas in een laat stadium om commentaar was gevraagd, toen de conclusies al grotendeels vastlagen. Ook vindt de rechtbank de toelichting op de bevindingen onvoldoende concreet. Dat bepaalde uren niet aan klanten konden worden doorbelast, betekent volgens de rechtbank bovendien niet automatisch dat geen werkzaamheden zijn verricht.
Redelijke vergoeding
Bij het bepalen van het redelijke loon kijkt de rechtbank vervolgens nadrukkelijk naar de hybride positie van de accountant binnen de organisatie. Enerzijds trad hij op als eindverantwoordelijk accountant en was duidelijk dat een omzetgerelateerde beloning werd beoogd. Anderzijds werkte hij volgens de rechtbank nog niet volledig zelfstandig zoals andere partners binnen de organisatie. Zo mocht hij geen eigen personeel aannemen en kreeg hij klanten toegewezen door de organisatie zelf.
Daarnaast speelde mee dat het ging om nieuwe klanten waarvoor in het eerste jaar veel uren moesten worden gemaakt die niet direct declarabel waren. Volgens de rechtbank wist de accountant dat ook: hij kende de afgesproken honoraria richting klanten en moest er daarom rekening mee houden dat niet alle gewerkte uren volledig zouden worden vergoed.
Per saldo komt de rechtbank uit op een totale redelijke vergoeding van €223.425,20 inclusief btw voor de periode van oktober 2023 tot en met december 2024. Omdat al ruim €203.000 was betaald, resteert nog €20.000. Inclusief wettelijke handelsrente en incassokosten moet de accountantsorganisatie uiteindelijk €23.861,47 voldoen.
Beide partijen halen daarmee grotendeels bakzeil. De accountant vorderde namelijk ruim €110.000 aan openstaande facturen, terwijl de accountantsorganisatie in reconventie juist terugbetaling eiste van meer dan €141.000 wegens onverschuldigde betaling en subsidiair schadevergoeding wegens ondeugdelijke werkzaamheden. Vrijwel al die vorderingen worden afgewezen..


Geef een reactie