De zaak draait om een onderneming in melkvee, vleeskalveren en groothandel in levend vee. Na de uitbraak van corona vroeg Omnyacc namens de onderneming verschillende steunmaatregelen aan, waaronder TVL. De onderneming verkeerde financieel in zwaar weer en was door de bank onder bijzonder beheer geplaatst. In februari 2021 vroeg de klant nadrukkelijk aan Omnyacc voor welke steun zij in aanmerking kwam. Daarbij wees de klant op de grote verliezen en vroeg om ook andere steun- of subsidieposten te melden.
Juridische maatstaf
Het hof stelt voorop dat bij beroepsaansprakelijkheid van een accountant de maatstaf geldt dat de accountant tegenover zijn cliënt de zorgvuldigheid moet betrachten die mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Omdat sprake is van een overeenkomst van opdracht, wordt die norm ingevuld aan de hand van artikel 7:401 BW: de opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.
De precieze invulling van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval en van de inhoud van de opdracht. Daarbij kunnen ook de gedrags- en beroepsregels voor accountants, waaronder de VGBA, een rol spelen. Het hof benadrukt verder dat de zorgplicht van een accountant kan meebrengen dat hij een cliënt niet alleen op verzoek, maar ook uit eigen beweging van relevante informatie voorziet.
Subsidiespecialist
Het hof kent veel gewicht toe aan de manier waarop Omnyacc zich presenteerde. Op de website stond dat klanten altijd op de hoogte worden gebracht van mogelijke subsidies en regelingen. Een registeraccountant werd bovendien genoemd als lid van het subsidieteam, waarvan de adviseurs volgens Omnyacc op de hoogte waren van het veranderende subsidielandschap.
Volgens het hof mocht de klant er onder die omstandigheden op vertrouwen dat Omnyacc, en in het bijzonder de RA, zelfstandig en proactief zou blijven volgen welke coronagerelateerde regelingen mogelijk relevant waren. Dat gold temeer omdat de klant daar expliciet om had gevraagd en Omnyacc al TVL- en NOW-aanvragen voor haar verzorgde.
OVK gemist
De gemiste regeling was de subsidie Ongedekte Vaste Kosten land- en tuinbouw. Die OVK-regeling werd in juli 2021 gepubliceerd als aanvullende steunmaatregel voor land- en tuinbouwbedrijven die door het Europese staatssteunplafond van € 225.000 niet volledig meer van de TVL gebruik konden maken. Voor het derde kwartaal van 2021 kon de regeling worden aangevraagd van 14 oktober tot en met 15 november 2021.
Omnyacc diende op 27 oktober 2021 namens de onderneming wel een aanvraag voor TVL Q3 2021 in, maar geen aanvraag voor OVK Q3 2021. De TVL-aanvraag werd later door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland afgewezen omdat het staatssteunmaximum al was bereikt. Toen namens de onderneming contact werd opgenomen met de RVO, wees de uitvoeringsorganisatie erop dat nog een beroep had kunnen worden gedaan op de OVK-regeling. De betrokken registeraccountant schreef later in een e-mail dat hij “niet op de hoogte was van de OVK-regeling. Of mij dat te verwijten is laat ik graag aan een ander over. Ik doe mijn stinkende best voor jullie maar ik krijg hier geen goed gevoel over.”
Het hof rekent dat Omnyacc zwaar aan. Daarbij kijkt het hof niet alleen naar de formele opdrachtbevestigingen, maar nadrukkelijk naar de gehele contractuele verhouding en de wijze waarop Omnyacc zich tegenover de klant presenteerde. Het accountantskantoor profileerde zich publiekelijk als specialist in subsidies, communiceerde dat klanten “altijd” op subsidiemogelijkheden zouden worden gewezen en had voor deze onderneming al actief coronasteun aangevraagd. Bovendien had de klant expliciet gevraagd om ook andere steun- en subsidieposten in de gaten te houden. Tegen die achtergrond oordeelt het hof dat op de accountant een zelfstandige en proactieve informatieverplichting rustte.
Het verweer dat geen concrete opdracht bestond om subsidieregelingen voortdurend te monitoren, wordt daarom verworpen. Volgens het hof mocht van een professioneel opdrachtnemer worden verwacht dat hij duidelijk afbakende welke werkzaamheden wel en niet onder de opdracht vielen. Dat had Omnyacc niet gedaan. Integendeel: de accountant had juist meegedeeld “echt zijn best” te doen en het openen van aanvraagloketten “in de gaten” te houden. Het hof concludeert daarom dat de accountant zijn zorgplicht als goed opdrachtnemer heeft geschonden door de onderneming niet tijdig op de OVK-regeling te wijzen.
Schade aannemelijk
Omnyacc betwistte vervolgens dat de onderneming de OVK-subsidie daadwerkelijk zou hebben gekregen als tijdig een aanvraag was ingediend. Volgens het kantoor maakte de onderneming deel uit van een groep met een andere vennootschap, zouden omzetverschuivingen hebben plaatsgevonden en waren bepaalde kostenposten volgens haar ten onrechte als ongedekte vaste lasten opgevoerd.
Het hof volgt dat verweer niet. Daarbij maakt het hof eerst duidelijk dat de formele rechtskracht van de latere OVK-toekenning over Q1 2022 niet rechtstreeks aan Omnyacc kan worden tegengeworpen in de civiele aansprakelijkheidsprocedure. Toch kent het hof grote betekenis toe aan dat besluit, omdat daaruit volgt dat de RVO de aanvraag inhoudelijk heeft beoordeeld en kennelijk heeft geoordeeld dat aan de subsidievoorwaarden was voldaan. Volgens het hof ligt daarin besloten dat de RVO de onderneming niet als onderdeel van een groep heeft aangemerkt, de omzetgegevens heeft geaccepteerd en de opgevoerde kosten niet onjuist heeft bevonden.
Van belang is verder dat Omnyacc zelf betrokken was bij de aanvraag van die latere OVK-subsidie. Het kantoor had zich daar achter het standpunt geschaard dat geen sprake was van een groep in de zin van de subsidieregelingen. Het hof verwijst in dat verband ook naar de fundamentele beginselen uit de VGBA. Een accountant mag zich volgens die beroepsregels niet verbinden aan materieel onjuiste of misleidende informatie en moet kritisch beoordelen of aangeleverde gegevens deugen. Tegen die achtergrond acht het hof onvoldoende toegelicht waarom Omnyacc later ineens een tegengesteld standpunt innam over de groepsstructuur en de juistheid van de omzetcijfers.
Ook de stelling dat omzet zou zijn verschoven naar een andere vennootschap houdt volgens het hof onvoldoende stand. De btw-aangiften vormden bij de subsidieregelingen het uitgangspunt voor de omzetvaststelling en juist die aangiften werden door Omnyacc zelf verzorgd. Zonder nadere toelichting valt volgens het hof dan niet in te zien waarom diezelfde cijfers later niet betrouwbaar zouden zijn. Dat een grote afnemer later betaalde dan gebruikelijk, bewijst volgens het hof evenmin omzetverschuiving, mede omdat de onderneming het factuurstelsel hanteerde.
Per saldo acht het hof voldoende aannemelijk dat de RVO ook een tijdige OVK-aanvraag voor Q3 2021 zou hebben toegewezen. De door Alfa Accountants berekende misgelopen subsidie van € 477.595 wordt daarom in hoofdzaak gevolgd. Alleen een besparing op aanvraagkosten wordt in mindering gebracht. Het hof schat die besparing, bij gebrek aan concrete aanknopingspunten, op € 2.500. Daarmee komt de schade uit op € 475.095.
Geen eigen schuld
Ook het beroep van Omnyacc op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW strandt. Volgens het accountantskantoor had de onderneming zelf alert moeten zijn op nieuwe subsidieregelingen en had zij bovendien nog een andere adviseur ingeschakeld.
Het hof benadrukt echter dat juist de bijzondere zorgplicht van de accountant ertoe strekt cliënten te beschermen tegen gebrek aan kennis, kunde en inzicht op financieel-administratief terrein. Omdat Omnyacc zich had gepresenteerd als subsidiespecialist en actief had toegezegd klanten over subsidiemogelijkheden te informeren, mocht de onderneming er volgens het hof in beginsel op vertrouwen dat haar accountant die taak naar behoren vervulde. Dat de OVK-regeling mogelijk ook via een brancheorganisatie kenbaar was gemaakt, maakt dat niet anders. Uit niets blijkt namelijk dat de onderneming daarvan daadwerkelijk tijdig kennis had genomen.
Ook het verwijt dat een andere adviseur de regeling evenmin had opgemerkt, houdt geen stand. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat deze adviseur in de relevante periode nog niet betrokken was bij coronasteunmaatregelen. Pas eind november 2021, dus na sluiting van het aanvraagloket, werd hij gevraagd zich in de kwestie te verdiepen. Daarmee ontbreekt volgens het hof een omstandigheid die aan de onderneming kan worden toegerekend. De schade moet daarom volledig door Omnyacc worden gedragen.
Het hof bekrachtigt het niet-gepubliceerde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland grotendeels. Omnyacc moet € 475.095 betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 september 2022, plus € 1.000 buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in hoger beroep.


Geef een reactie