De uitkomst staat in schril contrast met de eerste aanleg. De Rechtbank Rotterdam legde in 2021 nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden op. Het Openbaar Ministerie eiste destijds zelfs drie jaar cel.
De verdachte gaf tussen 2011 en 2017 feitelijk leiding aan drie ondernemingen die stelselmatig onjuiste btw-aangiften indienden. Daarnaast werden vervalste verklaringen omtrent betalingsgedrag gebruikt om opdrachtgevers ervan te overtuigen dat de ondernemingen aan hun fiscale verplichtingen voldeden.
Miljoenen nadeel
Volgens het hof werd de Belastingdienst door de fraude voor “om en nabij € 3,9 miljoen” benadeeld. De fraude duurde ruim zes jaar. Het hof noemt het “van essentieel belang” dat de Belastingdienst kan vertrouwen op juiste belastingaangiften en stelt dat dit vertrouwen ernstig is geschonden.
De verdachte vervalste bovendien verklaringen van de Belastingdienst om klanten de indruk te geven dat belastingen correct waren afgedragen. Daardoor bleven bedrijven zaken doen met de ondernemingen van de verdachte. Het hof wijst er ook op dat de verdachte eerder al een strafbeschikking had gekregen wegens valsheid in geschrift en daarna opnieuw de fout in ging.
Jaren cel
Normaal gesproken zou voor een fraudezaak van deze omvang een forse gevangenisstraf volgen. De rechtbank Rotterdam was in 2021 hard in haar oordeel. Zij rekende het de verdachte zwaar aan dat zij zelfs doorging met het indienen van onjuiste aangiften nadat zij in 2016 tegenover de Belastingdienst had bekend bewust te lage aangiften te hebben gedaan vanwege liquiditeitsproblemen. Ook het vervalsen van verklaringen omtrent betalingsgedrag woog zwaar mee. De verdachte had daarvoor in 2015 al een strafbeschikking gekregen, maar ging daarna toch door met het vervalsen van documenten. De verdachte moest 18 maanden zitten.
Opvallend is dat het hof de feiten in hoger beroep minstens zo ernstig beoordeelt als de rechtbank. Het hof stelt expliciet dat de ernst en duur van de fraude normaal gesproken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar rechtvaardigen. Daarbij verwijst het hof naar de landelijke oriëntatiepunten voor fraudezaken, waarin bij fraude vanaf €1 miljoen minimaal 24 maanden gevangenisstraf geldt. Volgens het hof rechtvaardigden “de ernst en duur van de feiten” in deze zaak zelfs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.
Tien jaar
Toch ziet de verdachte de binnenkant van een cel vermoedelijk nooit. Dat komt door de uitzonderlijk lange duur van de strafzaak. De redelijke termijn begon al in augustus 2016, toen de verdachte voor het eerst werd verhoord. Het arrest volgde pas in mei 2026. Volgens het hof zijn daarmee “bijna 10 jaar verstreken sinds het eerste verhoor van de verdachte”.
Het hof is kritisch op justitie en constateert dat voor de vertraging nauwelijks een verklaring bestaat. De verdachte bekende de feiten direct en diende geen onderzoekswensen in. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd de redelijke termijn met meerdere jaren overschreden.
Vanwege die “ernstige overschrijding” besloot het hof uiteindelijk geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen. Ook de leeftijd, gezondheid en proceshouding van de verdachte speelden mee. De verdachte had de fraude direct toegegeven en haar verantwoordelijkheid niet ontkend. Per saldo resteert daardoor een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar, met een proeftijd van eveneens twee jaar.
Lees hier de uitspraak.


In het midden lijkt gelaten te worden of de veroordeelde de 3,6 miljoen heeft betaald.