Als de contractrente afwijkt van de marktrente, kan die waarde afwijken van de nominale waarde.
Aanleiding voor het standpunt is een lening tussen twee particuliere belastingplichtigen. Belastingplichtige A leent onder zakelijke voorwaarden € 300.000 van belastingplichtige B voor de financiering van een tweede woning. De lening is twintig jaar aflossingsvrij, kent een vaste rente van 4,5 procent en kan niet tussentijds boetevrij worden afgelost. Voor A vormt de lening een box 3-schuld, voor B een box 3-vordering.
Volgens de kennisgroep moeten zowel de schuld als de vordering in box 3 worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 5.19 Wet IB 2001. Daarbij sluit de kennisgroep aan bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over de uitleg van dat begrip. Verwezen wordt onder meer naar het arrest van 5 februari 1969, waarin de Hoge Raad de waarde in het economische verkeer omschrijft als de prijs die de meestbiedende gegadigde zou betalen na de beste voorbereiding van de verkoop.
Contante waarde bij afwijkende marktrente
De kennisgroep maakt onderscheid tussen de nominale waarde en de waarde in het economische verkeer. Bij het aangaan van een zakelijke lening vallen die in beginsel samen. Tijdens de looptijd kan echter een verschil ontstaan wanneer de marktrente voor vergelijkbare leningen wijzigt.
Voor vorderingen geldt volgens de kennisgroep dat een hogere marktrente dan de contractrente een waardedrukkend effect heeft. Een lagere marktrente leidt juist tot een hogere waarde in het economische verkeer. Daarbij verwijst de kennisgroep onder meer naar HR 16 januari 1974 en HR 26 februari 1986. In dat laatste arrest oordeelde de Hoge Raad dat een niet direct opeisbare vordering tegen de contante waarde moet worden gewaardeerd.
De kennisgroep werkt dat uit door de toekomstige contractuele rentebetalingen en aflossingen contant te maken tegen een disconteringsvoet die aansluit bij de marktrente voor vergelijkbare vorderingen. Dezelfde systematiek geldt volgens het standpunt voor schulden. Ook daar geldt dat een contractrente boven de marktrente leidt tot een hogere waarde in het economische verkeer van de schuld, terwijl een lagere contractrente juist tot een lagere waarde leidt.
In het uitgewerkte voorbeeld loopt de waarde van de vordering gedurende de looptijd sterk uiteen. Bij een marktrente van 2,5 procent stijgt de waarde van de vordering volgens de kennisgroep tot € 386.120, terwijl die bij een marktrente van 6 procent terugvalt naar € 254.523.
Gevolgen voor werkelijk rendement
De kennisgroep verbindt die waardering expliciet aan de tegenbewijsregeling in box 3. Voor het bepalen van het werkelijke rendement moet volgens het standpunt niet alleen rekening worden gehouden met de ontvangen contractrente, maar ook met de mutatie in de waarde in het economische verkeer van de vordering of schuld.
In het voorbeeld leidt dat tot forse verschillen tussen forfaitair en werkelijk rendement. In een jaar waarin de marktrente sterk daalt, stijgt de waarde van de vordering aanzienlijk en komt het werkelijke rendement uit op € 79.919 tegenover een forfaitair rendement van € 23.167. In een jaar waarin de marktrente juist stijgt, ontstaat een negatief werkelijk rendement van € 69.930 terwijl het forfaitaire rendement positief blijft.
De kennisgroep merkt daarbij op dat voor schulden dezelfde waarderingssystematiek geldt als voor vorderingen. Een stijging van de waarde in het economische verkeer van een schuld werkt daardoor door in de omvang van de aftrekbare box 3-schuld.
Niet-verhandelbaarheid in beginsel niet relevant
Volgens de kennisgroep heeft het ontbreken van een markt of het feit dat een vordering of schuld niet overdraagbaar is, in beginsel geen invloed op de waarde in het economische verkeer. Daarbij wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis van de Wet op de vermogensbelasting 1964 en jurisprudentie van Hof Den Haag uit 1994.
De kennisgroep benadrukt dat de waardering moet plaatsvinden aan de hand van objectieve factoren zoals rente, looptijd, zekerheden en debiteurenrisico. Niet-verhandelbaarheid leidt volgens het standpunt niet automatisch tot een lagere waarde, al sluit de kennisgroep niet uit dat in specifieke gevallen een overdrachtsbeperking wel degelijk een waardedrukkend effect kan hebben.
Daarnaast gaat het standpunt in op de invloed van de solvabiliteit van de schuldenaar. Voor vorderingen geldt dat een verhoogd risico op niet-inning de waarde drukt. Bij schulden is volgens de kennisgroep niet de insolvabiliteit zelf doorslaggevend, maar de kans dat de schuldeiser de schuld geheel of gedeeltelijk zal kwijtschelden.
Praktische tegemoetkoming
Ondanks de uitgebreide theoretische uitwerking bevat het standpunt ook een praktische tegemoetkoming. De kennisgroep erkent dat het bepalen van de contante waarde van geldvorderingen en -schulden administratief bewerkelijk is en “een groot beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen” doet.
Daarom mag een belastingplichtige uit praktische overwegingen uitgaan van de nominale waarde van een geldvordering of -schuld, mits sprake is van een bestendige gedragslijn. Die keuze moet dan consequent worden toegepast, zowel voor het forfaitaire rendement als voor het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling.
De kennisgroep merkt daarbij op dat deze praktische benadering geldt tot de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3. In dat wetsvoorstel zijn volgens het standpunt specifieke regels opgenomen voor de waardering van geldvorderingen en -schulden tussen natuurlijke personen.
Het volledige kennisgroepstandpunt is hier te vinden.


Geef een reactie