Tijdens een boekenonderzoek bij een groep vennootschappen die vakantieparken exploiteerden ontstond bij de Belastingdienst het vermoeden van strafbare feiten. Volgens de inspecteur werd binnen de onderneming omzet buiten de administratie gehouden. Die zogenoemde ‘rangeromzet’ zou uiteindelijk ten goede zijn gekomen aan de directeur-grootaandeelhouder in de vorm van winstuitdelingen. De zaak werd overgedragen aan de FIOD en het Openbaar Ministerie. In 2019 vond een inval plaats waarbij administratie in beslag werd genomen.
Geen misbruik
De ondernemer voerde onder meer aan dat de Belastingdienst misbruik had gemaakt van bevoegdheden, niet alle relevante stukken had overgelegd en inzage had gehad in verschoningsgerechtigde documenten. De rechtbank volgt die bezwaren niet. Ook ziet zij “geen reden om te oordelen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd”. Van schending van het verschoningsrecht is volgens de rechtbank evenmin sprake. Zij gaat ervan uit dat de inspecteur geen kennis heeft genomen van vertrouwelijke stukken.
Inwoner van Nederland
Een belangrijk geschilpunt was de fiscale woonplaats van de ondernemer. Hij stelde sinds medio 2015 inwoner van België te zijn. De rechtbank oordeelt echter dat in 2018 nog een “duurzame band van persoonlijke aard” met Nederland bestond. Daarbij weegt mee dat zijn kinderen en nieuwe partner in Nederland woonden, hij eigenaar was van meerdere Nederlandse woningen en de onderneming grotendeels vanuit Nederland werd geleid. Volgens de rechtbank lagen zowel de persoonlijke als economische betrekkingen het nauwst met Nederland.
Winstuitdelingen
De inspecteur verhoogde het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang met € 4.484.351, bestaande uit een netto winstuitdeling van € 3.811.698 en € 672.653 dividendbelasting. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het reserveringssysteem van de vakantieparken werd gemanipuleerd, waardoor langdurige verhuur buiten de administratie bleef en omzet niet werd verantwoord. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat deze contante opbrengsten uiteindelijk bij de aandeelhouder terechtkwamen. Ook acht zij aannemelijk dat de ondernemer zich “van de voornoemde vermogensverschuiving bewust is geweest”.
Omgekeerde bewijslast
Omdat de winstuitdelingen niet in de aangifte waren opgenomen, is volgens de rechtbank de vereiste aangifte niet gedaan. Dat heeft tot gevolg dat de bewijslast wordt “omgekeerd en verzwaard”, aldus de uitspraak. De rechtbank acht de door de inspecteur gemaakte schatting van de verzwegen omzet redelijk. Daarbij mocht de inspecteur uitgaan van minimumschattingen en hoefde hij geen rekening te houden met nog op te leggen naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen.
Conserverende aanslagen
Op één punt krijgt de ondernemer wel gelijk. Omdat hij voor zowel 2017 als 2018 als inwoner van Nederland wordt aangemerkt, was er geen grond voor conserverende aanslagen. De rechtbank vernietigt daarom conserverende aanslagen die waren gebaseerd op een te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang van € 120 miljoen over zowel 2017 als 2018. Ook de daarbij opgelegde revisierente van € 315.130 (2017) en € 304.977 (2018) vervalt. Daarnaast kent de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding van € 3.000 toe.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie