De zaak draait om een miljoenenverrekening door een buitenlandse onderneming die de moedermaatschappij is van een fiscale eenheid die door de jaren heen steeds van samenstelling wisselde. Over 2017 haalt de fiscale eenheid een negatief resultaat, in 2020 resteert winst.
Carry forward
Het concern verrekent de verliezen van enkele vennootschappen in eerdere jaren met winsten in een later jaar: de zogeheten carry forward. Daardoor hoefde er minder vennootschapsbelasting te worden betaald, maar de Belastingdienst zag dat anders en oordeelde dat binnen een fiscale eenheid verliezen niet zomaar verrekend mogen worden als een bestaande verlieslijdende fiscale eenheid wordt uitgebreid met andere vennootschappen en daarna winst maakt. Daarom stond de fiscus een verliesverrekening ter grootte van € 138 miljoen niet toe.
Clusterbenadering te streng
Maar dat is te streng, vindt de rechtbank Noord-Holland. De Belastingdienst bepaalt de horizontale saldering – de voor verliesverrekening vatbare winst – ten onrechte op basis van de zogenoemde cluster- of groepsdeelbenadering, waarbij afzonderlijke resultaten van de tot dat cluster behorende vennootschappen in het voorliggende belastingjaar met elkaar worden gesaldeerd voordat de oude verliezen kunnen worden verrekend. Met die benadering kan minder winst worden verrekend met de oude verliezen.
De manier waarop het concern verliezen van Nederlandse vennootschappen heeft verrekend, is wat de rechter betreft toegestaan. Winsten en verliezen mochten eerst op individueel niveau worden bepaald en daarna worden gesaldeerd. De zogeheten voorvoegingsverliezen uit 2017 mogen dus worden verrekend met de winsten van de afzonderlijke vennootschappen in 2020. Dat leidt tot een lagere heffing van vennootschapsbelasting in het voorliggende belastingjaar.


Geef een reactie