Broers, zussen, kinderen en echtgenoten: die kunnen allemaal gebruikmaken van fiscale vrijstellingen voor het overnemen van een bedrijf onder de WBR. Maar hoe zit het met een neef?
De neef in kwestie voert al sinds 1995 een melkveebedrijf met zijn oom, de broer van zijn moeder. Die oom heeft het bedrijf in 1983 van zijn vader overgenomen. De ruim 50 hectare grond valt binnen de maatschap, de onroerende zaken zijn deels gezamenlijk eigendom en deels eigendom van de neef.
Indirect verkregen van opa
De oom stopt ermee in september 2020, waarmee hij 40% van de economische eigendom en 50% van de juridische eigendom van de onroerende zaken overdraagt aan zijn neef. Bij de fiscus rekent die overdrachtsbelasting af over de helft van de waarde van de woningen en andere opstallen. Later komt de Belastingdienst nog met een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting voor de verkrijging van de economische eigendom van 10%.
Maar dan heeft de neef al bezwaar aangetekend, want hij vindt dat hij de boerderij indirect heeft verkregen van de grootvader. Daarom zou hij beroep moeten kunnen doen op de vrijstelling. Bij de rechter komt hij niet ver: die oordeelt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozern om de kring van verkrijgers te beperken tot verkrijgers in rechte lijn of in de zijlijn. Dat is niet in strijd met het verbod op discriminatie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).
Oom nooit leidinggevende geweest
De neef gaat in hoger beroep. Het melkveebedrijf is al generaties lang in de familie en zijn moeder heeft naarmate de gezondheid van de grootvader achteruitging, steeds meer de feitelijke leiding op haar genomen. Dat gebeurde tot aan de overdracht aan de oom in 1995, maar het was toen de neef die feitelijk leidinggevende werd. De oom heeft volgens hem nooit een leidinggevende positie in het bedrijf gehad en het was altijd de bedoeling geweest dat de neef het melkveebedrijf zou gaan overnemen. Hij moet dus eigenlijk als kwalificerende persoon voor de BOR worden aangemerkt. Is de ratio van het wetsartikel niet het voorkomen van versnippering bij de overgang op kinderen, zo vraagt hij het gerechtshof.
De constructie via de oom is louter gekozen omdat destijds de overdracht aan kleinkinderen nog niet onder de vrijstelling viel. Uiteindelijk is er sprake van een overdracht in de rechte lijn, vindt de neef.
Bewuste keuze van wetgever
Maar dat ‘parkeer-argument’ gaat er ook bij het hof niet in. “Immers, vast staat dat het melkveebedrijf in 1983 door de grootvader alleen aan de oom is overgedragen”, zo stelt het hof simpelweg vast. En in de wet is nu eenmaal vastgelegd dat de vrijstelling is beperkt tot een groep bloedverwanten waar de neef niet toe behoort. Discriminatie is ook niet aan de orde: “Met deze keuze voor een afgebakende groep van verkrijgers heeft, zoals in eerdere arresten reeds is geoordeeld, de wetgever de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Dat per 1 januari 2003 de legitieme portie in goederen is omgezet in een vordering in geld, leidt niet tot een ander oordeel. Van strijd met het verbod op discriminatie […] is geen sprake.”
Dat het bedrijf al 200 jaar bestaat is geen omstandigheid die afwijking van de regels rechtvaardigt. De wetgever heeft verschillen door de inperking van de groep verkrijgers voorzien, aldus het hof. “Daarom kan niet worden gezegd dat in gevallen waarin die verschillen zich voordoen, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is niet anders bij de verschillen die zich voordoen in een geval als het onderhavige.”


Geef een reactie