De zaak was aangespannen door drie betaaldienstverleners, waarvan CCV de bekendste is. Die laatste betaalde in 2020 ruim € 467.000 aan kosten voor doorlopend toezicht, gebaseerd op een provisie-inkomen van bijna € 30 miljoen in 2019.
Rechter: resterende kosten mogen worden meegenomen
DNB liet de heffingen na bezwaar in stand. De rechtbank was het daarmee eens en oordeelde dat een negatief exploitatiesaldo bij eenmalige handelingen over 2019 in de kosten van doorlopend toezicht voor de betaalinstellingen over het jaar 2020 mochten worden opgenomen. DNB is niet verplicht om alle kosten voor eenmalige handelingen aan de aanvragers van die handelingen door te berekenen. Een vergoeding hoeft niet per se kostendekkend te zijn, maar DNB is wel gehouden alle begrote kosten van toezicht door te belasten. “Dat betekent dat de resterende kosten die DNB niet aan de betreffende aanvragers heeft kunnen doorbelasten, bij de reguliere toezichtkosten mogen worden betrokken”, aldus de rechter.
CBb: onderscheid eenmalige en doorlopende kosten
Maar het CBb vindt dat het betrekken van begrote kosten voor eenmalige handelingen bij de totale kosten van het doorlopend toezicht in eenzelfde jaar in strijd is met de wet. “De in enig jaar voor eenmalige handelingen begrote kosten [horen] geen deel uit te maken van het totaal van de kosten die door middel van jaarlijkse heffingen aan de onder toezicht staande personen in rekening zullen worden gebracht.”
In de Wbft wordt onderscheid gemaakt tussen de verschuldigde vergoeding voor een eenmalige handeling en een bedrag aan kosten voor het doorlopend toezicht. De kosten van een eenmalige handeling worden ten laste gebracht aan de persoon voor wie de toezichthouder die handeling heeft verricht. De totale kosten van het toezicht die in enig jaar in rekening worden gebracht bij de onder toezicht staande personen bedragen de som van het totaal van de begrote kosten voor het desbetreffende jaar met uitzondering van de begrote kosten voor eenmalige handelingen. “Anders dan waarvan DNB uitgaat, volgt uit dat kader niet dat de kosten van een eenmalige handeling, die dus specifiek voor een persoon zijn gemaakt, in hetzelfde jaar in rekening mogen worden gebracht bij andere personen voor wie die kosten niet zijn gemaakt.”
DNB moet nu opnieuw naar de bezwaren kijken.
Lagere regelgeving
Branchevereniging VBIN vindt dat DNB nu de hele systematiek voor meerdere jaren grondig moet herzien. DNB laat tegenover het ANP weten dat de crux hem zit in het onderscheid tussen lagere regelgeving en de wet. “De rechter heeft aangegeven dat DNB heeft gehandeld naar de regelgeving, maar oordeelt dat de lagere regelgeving in strijd is met de wet en daarom onverbindend. DNB beraadt zich op de gevolgen van de uitspraak voor de opnieuw te nemen heffingenbesluiten.”
Het CBb oordeelde in juni al dat DNB meerdere cryptodienstverleners onterecht hoge kosten in rekening had gebracht voor toezicht. De cryptobedrijven klaagden dat DNB hen onterecht had laten betalen voor de behandeling van hun registratieaanvragen via de jaarlijkse toezichtskosten. De hoogste bestuursrechter was het daarmee eens.


Geef een reactie