Volgens het College blijven er echter voldoende ernstige tekortkomingen over om de maatregel te rechtvaardigen.
De tuchtzaak gaat over de controle van de geconsolideerde jaarrekeningen 2012 tot en met 2014 van het inmiddels failliete Dirkzwager-concern, moederbedrijf van slijterijketen Mitra. Na een intern onderzoek in 2016 kwamen omvangrijke onregelmatigheden aan het licht, waarna voor €22 miljoen moest worden afgeboekt. Kort daarna volgde het faillissement van de groep.
Oordeel Accountantskamer
De Accountantskamer verklaarde in 2022 een groot deel van de klacht van de curatoren gegrond. De tuchtrechter oordeelde dat de accountant bij meerdere controleonderdelen onvoldoende en geschikte controle-informatie had verkregen, onder meer over memoriaalboekingen, de filiaalvoorraad, liquide middelen, crediteuren, de groepsstructuur en vorderingen op gelieerde vennootschappen. Daarmee handelde de RA volgens de Accountantskamer in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De tuchtrechter legde daarom de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in het accountantsregister voor de duur van één maand op. Verwijten over het niet verstrekken van delen van de controledossiers en bewuste misleiding van de civiele rechter werden ongegrond verklaard.
Meerdere klachtonderdelen alsnog ongegrond
In hoger beroep komt het College tot een andere beoordeling van een aantal onderdelen. Zo oordeelt het College dat de accountant mocht vertrouwen op een Excel-lijst met memoriaalboekingen die tijdens de controle werd verstrekt. Dat later bleek dat frauduleuze boekingen uit die lijst waren verwijderd, betekent volgens het College niet dat er ten tijde van de controle signalen van fraude aanwezig waren. Een latere verklaring van de voormalige Mitra-topman biedt volgens het College onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de accountant destijds had moeten vermoeden dat de lijst onvolledig was.
Ook een verwijt over de controle van de filiaalvoorraad houdt geen stand. Anders dan de Accountantskamer acht het College een specificatie van de voorraad per filiaal niet essentieel voor een deugdelijke controle van de totale voorraadpositie. De accountant mocht volgens het CBb steunen op de aanwezige inventarisatieprocedures en de uitgevoerde systeemgerichte controles.
Verder wordt het verwijt over de post ‘overige waardebonnen’ alsnog ongegrond verklaard. Uit het controledossier blijkt volgens het College voldoende dat onderzoek is gedaan naar een vaststellingsovereenkomst met een leverancier en de daarmee samenhangende vordering.
Tekortkomingen bij kasgeld, groepsstructuur en vorderingen
Op andere punten blijft de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid overeind. Het College onderschrijft het oordeel dat de accountant onvoldoende controle-informatie heeft verkregen over het kasgeld binnen de Mitra-organisatie. Een belangrijk deel van het saldo bleek te bestaan uit een boeking van €100.000 op een algemene filiaalpost die niet afzonderlijk was gecontroleerd. Omdat het totale kasgeld de uitvoeringsmaterialiteit overschreed, had uitgebreider onderzoek moeten plaatsvinden.
Ook het verwijt dat onvoldoende inzicht is verkregen in de groepsstructuur, financiering en verwevenheid tussen Dirkzwager en de bovenliggende vennootschappen blijft overeind. Volgens het College blijkt uit het controledossier onvoldoende dat de accountant de risico’s die samenhingen met die verwevenheid heeft geanalyseerd en vastgelegd. Daarmee is gehandeld in strijd met de controlestandaarden over groepscontroles en controledocumentatie.
Daarnaast blijft het oordeel in stand dat de accountant de volwaardigheid van omvangrijke vorderingen op gelieerde vennootschappen onvoldoende heeft onderzocht. Het College wijst erop dat niet is gebleken dat is beoordeeld of die vennootschappen daadwerkelijk in staat waren hun verplichtingen na te komen.
Goedkeurende verklaring zonder voldoende grondslag
De curator krijgt in hoger beroep bovendien gelijk op een punt dat de Accountantskamer buiten beschouwing liet. Volgens het College maakt het verwijt dat de accountant ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft afgegeven onderdeel uit van de oorspronkelijke klacht.
Voor de jaarrekening 2014 leidt dat alsnog tot een gegrond oordeel. Omdat op meerdere materiële posten onvoldoende en geschikte controle-informatie was verkregen, ontbrak volgens het College een toereikende grondslag voor een goedkeurende controleverklaring. Voor de jaarrekeningen 2012 en 2013 gaat het College niet zover. Daar resteerde alleen het verwijt over het onvoldoende vastleggen van inzicht in de groepsstructuur, wat volgens het College onvoldoende is om de afgegeven goedkeurende verklaringen achteraf ondeugdelijk te achten.
Geen misleiding en geen schending informatieplicht
De curator ving opnieuw bot met zijn verwijten dat de accountant tijdens een eerder kort geding bewust misleidende standpunten zou hebben ingenomen en ten onrechte had geweigerd delen van de controledossiers te verstrekken.
Volgens het College is niet aannemelijk geworden dat sprake was van bewuste misleiding van de civiele rechter. Ook de klacht over de informatieverstrekking slaagt niet. De accountant had volgens het College voldoende gereageerd op de verzoeken van de curator.
Doorhaling
Ondanks dat de accountant in hoger beroep op meerdere klachtonderdelen alsnog gelijk krijgt, ziet het College geen aanleiding de maatregel te verlichten. Volgens het College blijven voldoende ernstige schendingen van de beroeps- en gedragsregels overeind. Daarbij weegt mee dat de accountant bij de controle van de jaarrekening 2014 op verschillende materiële posten geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen en bovendien onvoldoende inzicht heeft vastgelegd in de groepsstructuur en financiering van het concern. Het College concludeert daarom dat de resterende tekortkomingen zwaar genoeg zijn om de door de Accountantskamer opgelegde tijdelijke doorhaling van één maand ongewijzigd in stand te laten.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:275


Geef een reactie