Een groep bedrijven doet in mei 2020 een aanvraag voor overheidssteun op grond van NOW-1-regeling. Die wordt goedgekeurd en er worden voorschotten betaald. In oktober 2021 is het tijd voor de definitieve vaststelling. Op de aanvraagformulieren hebben de bedrijven vermeld dat zij onderdeel uitmaken van een groep of concern en een omzetverlies van 0% hebben geleden. Een omzetverlies van minder dan 20%: dat is een afwijzing en terugvordering van het voorschot, zo concludeert het ministerie snel.
Ondanks de op het oog duidelijke situatie tekenen de bedrijven bezwaar aan. Zij brengen daarbij afkeurende accountantsverklaringen in stelling. Anders dan de accountant heeft geconcludeerd, moeten volgens de ondernemingen bij de berekening van het omzetverlies niet alle deelnemingen worden betrokken van de moedermaatschappij die 51% van de aandelen in de groep bezit, via een belang in de BV waar alle andere BV’s weer onder vallen. Er is geen sprake van een groepsrelatie tussen die twee bedrijven, betogen ze. De andere ondernemingen waar de moeder in participeert, moeten buiten beschouwing blijven.
Accountant verklaart afkeuring
De accountant komt met een toelichting. De hoofd-BV heeft de omzet bepaald op basis van de eigen omzet en die van de groep, zonder rekening te houden met de andere deelnemingen van de moedermaatschappij. Maar die moet op grond van het 51%-belang (en bijbehorende stemrechten) wel als groepshoofd worden aangemerkt, aldus de accountant. De gegevens over de omzet en het percentage van de omzetdaling van de gehele groep moeten dus worden meegenomen; alleen ontbreken betrouwbare gegevens omtrent de netto-omzet van de andere deelnemingen. Daarom is het onderzoek ten onrechte beperkt gebleven tot de gegevens van de groep van de hoofd-BV en haar deelnemingen. Daarom zijn afkeurende accountsverklaringen afgegeven.
Minister: ook afkeurende verklaring is een verklaring
Het bezwaar wordt verworpen: een afkeurend oordeel van de accountant zal leiden tot vaststelling van de subsidie op nihil, staat nu eenmaal in de NOW-regeling. De rechter velt later ook dat oordeel en voegt daaraan toe dat de minister niet hoeft na te gaan of het onderzoek door de accountant op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en of de accountant bij het afgeven van de verklaring is uitgegaan van de juiste groep.
De bedrijven stappen naar de Centrale Raad van Beroep. En daar komt het ministerie plots met een andere lezing: ook met het inbrengen van een afkeurende accountantsverklaring is voldaan aan de verplichting om een accountantsverklaring over te leggen. Daarom is de vaststelling op nihil ten onrechte gebaseerd op deze verplichting. Maar er is wel een andere reden om de aanvraag alsnog af te wijzen, probeert de minister.
Bezwaar: minister had uitleg accountant wél moeten toetsen
De groep bedrijven stelt bij de raad dat zij niet konden weten dat de subsidieverlening onjuist was, omdat de accountant een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het NOW-1 groepsbegrip en dat de minister in het kader van de zorgvuldigheid had moeten toetsen of de uitleg die de accountant heeft gegeven aan het groepsbegrip wel juist is.
De bedrijven dachten namelijk dat alleen een enkelvoudige moeder-dochterrelatie gelijkgesteld zou worden met een groep in de zin van de NOW-1. Is er sprake van meerdere moeder-dochterrelaties, dan is niet per definitie sprake van één groep in de zin van de NOW-1, betogen zij. De moedermaatschappij, die door de accountant als groepshoofd is aangemerkt, heeft wel meerderheidsbelangen in een aanzienlijk aantal dochterondernemingen die in verschillende sectoren opereren, maar volgens de bedrijven is geen sprake van enigerlei organisatorisch verband of economische eenheid tussen die dochterondernemingen en (de moedermaatschappij van) de protesterende ondernemingen.
Groepsbegrip pas duidelijk in NOW-2
Ze vinden zelf dat ze er terecht van zijn uitgegaan dat de hoofd-BV (die dus 51% eigendom is van de moeder) zou worden gekwalificeerd als een zelfstandige NOW-groep en dat het omzetverlies zou worden vastgesteld aan de hand van het omzetverlies van alle ondernemingen met SV-loon in Nederland binnen die hoofd-BV. Ze wijzen er nog op dat pas in de NOW-2 duidelijk is geworden dat meerdere moederdochterrelaties gezamenlijk worden behandeld als waren zij een groep.
Verwijzen naar accountant is niet genoeg
De raad stelt vast dat de minister niet heeft kunnen toelichten of er een verschil is tussen het groepsbegrip in de NOW-1 ten opzichte van de NOW-2 en ook niet of de accountant in het geval van appellanten op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het groepsbegrip. Verder is geen inhoudelijk standpunt ingenomen over de vraag of de bedrijven inderdaad hadden moeten weten dat alle deelnemingen zouden worden meegeteld voor de NOW-1. “Evenmin heeft de minister kunnen toelichten of in de belangenafweging gewicht is toegekend aan het argument van appellanten dat zij, vanwege het gehanteerde (ruime) groepsbegrip, nooit gebruik zouden kunnen maken van de subsidieregeling. Appellanten hebben in dit verband aangevoerd dat zij niet in staat zijn om de informatie benodigd voor een goedkeurende accountantsverklaring te verzamelen, omdat de dochterondernemingen van het groepshoofd, met wie appellanten en hun moedermaatschappij geen enkele band hebben, niet bereid zijn om die informatie aan haar toe te vertrouwen en deze dochterondernemingen daartoe ook niet kunnen worden gedwongen.”
De minister kan geen genoegen nemen met alleen een verwijzing naar de afkeurende accountantsverklaring, oordeelt de raad. “Daarmee heeft de minister nagelaten een inhoudelijke beoordeling of waardering te geven van de door appellanten aangevoerde bezwaren en te motiveren op welke wijze in het geval van appellanten sprake is van een groep.”
Het hoger beroep slaagt: het ministerie moet opnieuw een beslissing nemen op het bezwaar.


Geef een reactie