De zaak heeft een lange voorgeschiedenis. De klager, een ondernemer die sinds de jaren tachtig actief is via een groep besloten vennootschappen, werkte eind jaren zeventig en begin jaren tachtig samen met de betrokken accountant bij hetzelfde accountantskantoor. Die accountant was destijds als partner en adviseur betrokken bij de financiële dienstverlening aan de vennootschappen van klager.
Na de eeuwwisseling stapte de groep van de ondernemer over naar een ander accountantskantoor. Ruim twintig jaar later, in 2020, werden twee van zijn vennootschappen failliet verklaard. De curator in dat faillissement schakelde in 2021 uit eigen beweging een accountant in om onderzoek te doen naar de financiële administratie van de failliete vennootschappen. Het bleek om dezelfde accountant te gaan als met wie de ondernemer jarenlang had samengewerkt.
Het leidde tot een conflict: de voormalige opdrachtgever vond dat de accountant zich had moeten terugtrekken vanwege zijn eerdere betrokkenheid. Hij diende een klacht in bij de Accountantskamer, waarin hij drie verwijten formuleerde: gebrek aan objectiviteit bij het aanvaarden van de opdracht, onvoldoende zorgvuldigheid tegenover hem als belanghebbende, en schending van de vaktechnische voorschriften uit Standaard 4400N bij de uitvoering van de opdracht.
Geen tuchtrechtelijke fout
In februari 2024 oordeelde de Accountantskamer dat alle drie de onderdelen van de klacht ongegrond waren. De accountant had zich voorafgaand aan de opdracht tot de afdeling Vaktechniek van de NBA gewend om mogelijke bedreigingen voor zijn objectiviteit te bespreken en die gesprekken zorgvuldig vastgelegd. Volgens de accountantskamer bleek daaruit dat hij zorgvuldig te werk was gegaan. Ook bij latere signalen van de klager had hij opnieuw overleg gevoerd met de NBA en de curator volledig geïnformeerd.
De ondernemer legde zich niet bij dat oordeel neer en ging in hoger beroep bij het CBB. Hij richtte zijn beroep op twee van de drie klachtonderdelen: de vermeende schending van de objectiviteit en het beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Objectiviteit: zorgvuldig gehandeld
Centraal in het hoger beroep stond de vraag of de accountant, gezien de voorgeschiedenis, de opdracht had mogen aanvaarden. De ondernemer stelde dat sprake was van een bedreiging van de objectiviteit, omdat de accountant in het verleden betrokken was geweest bij de oprichting en administratie van de failliete vennootschappen en omdat hun zakelijke relatie destijds “op een vervelende manier” was geëindigd. Bovendien zou de accountant bij zijn onderzoek indirect zijn eigen vroegere advieswerk beoordelen.
Het College wees dat argument af. De accountant had volgens het CBB juist zorgvuldig gehandeld door voorafgaand aan de opdracht (in maart 2021) contact op te nemen met de afdeling Vaktechniek van de NBA. De uitkomst van dat overleg – vastgelegd in een notitie – was dat er geen belemmering bestond om de opdracht te aanvaarden. De NBA bevestigde dat oordeel. Toen de ondernemer later bezwaar maakte tegen zijn betrokkenheid, legde de accountant ook die bezwaren opnieuw aan de NBA voor.
Het CBB benadrukt dat de omschrijving van de klager als een “prettig maar ingewikkeld persoon” in de notitie van het NBA-gesprek niet duidt op vooringenomenheid. Er waren, aldus het College, geen feiten die wezen op bevooroordeeld handelen. De notities waren weliswaar eenzijdig opgesteld, maar dat volgt logisch uit de verslagleggingsplicht van een accountant. Er was geen reden om aan te nemen dat de inhoud daarvan onjuist was weergegeven.
Onvoldoende onderbouwd
De klager had tijdens de procedure vijf afzonderlijke bezwaren genoemd tegen de uitvoering van de opdracht, waaronder de betrokkenheid van de accountant bij de oprichting van de vennootschappen, de moeizame beëindiging van de samenwerking begin deze eeuw en het feit dat de accountant het werk van oud-collega’s en een voormalige controller zou moeten beoordelen. Volgens het CBB heeft de accountantskamer die bezwaren wel degelijk in haar oordeel betrokken.
Uit de notities en e-mailcorrespondentie bleek dat de accountant de volledige bezwaren heeft besproken met de NBA en de curator. Ook heeft hij de curator gevraagd of die de samenwerking nog wilde voortzetten, gezien de bezwaren van de oud-opdrachtgever. Dat de curator dit vervolgens niet meer aan de rechter-commissaris heeft voorgelegd, kan de accountant niet worden aangerekend, aldus het College.
Een getuigenverklaring van de voormalige controller, die de ondernemer had ingebracht, maakte dat niet anders. Volgens het College bevatte die verklaring geen concrete aanwijzingen dat de accountant zijn objectiviteit niet kon waarborgen.
Geen schending van vakbekwaamheid
Het derde klachtonderdeel – schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid – bood evenmin grond voor tuchtrechtelijk ingrijpen. De accountant had zijn rapporten opgesteld volgens Standaard 4400N, die geldt voor opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. De rapporten waren uitsluitend bestemd voor de curator en de rechter-commissaris en mochten niet zonder toestemming aan derden worden verstrekt. Het College vond geen aanwijzingen dat deze voorschriften waren geschonden.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie