De zaak draait om een vader die in 2019 op de loonlijst stond van de vennootschap van zijn zoon. De zoon was de enige aandeelhouder en statutair bestuurder van de BV. Hoewel de vader een jaarloon van € 18.244 in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2019 had verantwoord, voerde hij tegelijkertijd eenzelfde bedrag op als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Dit deed hij omdat hij stelde het loon nooit te hebben ontvangen.
Ongelukkige samenloop
Voor de vader ontstond een precaire situatie. Door zijn ‘loon op papier’ en zijn AOW en pensioen had hij geen recht meer op toeslagen, waaronder huur- en zorgtoeslagen. Daar kwam een pittige aanslag inkomstenbelasting bovenop die hij niet kon voldoen.; Hoe moet ik € 8.000 betalen met alleen een AOW-inkomen van rond de € 1.600? hield hij de belastinginspecteur voor. Die verwierp zijn bezwaar omdat de vader loon zou hebben genoten, ook al was het misschien slechts op papier.
Arbeid, loon en fiscale winst
Nadat de rechter de vader in het ongelijk had gesteld, ging hij in hoger beroep. Maar ook daar kreeg hij nul op rekest. Het gerechtshof wees erop dat uit de stukken bleek dat de man in 2019 een arbeidsovereenkomst had voor 40 uur per week. Bovendien had de vader verklaard dat hij zijn zoon wilde helpen met het opbouwen van het bedrijf. Deze uitspraak stond haaks op zijn latere bewering dat hij slechts minimaal had geadviseerd. Dit, in combinatie met het feit dat hij op de loonlijst stond, maakte dat het Hof een privaatrechtelijke dienstbetrekking aannemelijk vond. Cruciaal voor het oordeel van het hof was dat de BV van de zoon het loon daadwerkelijk ten laste van de fiscale winst had gebracht.
‘Afstand van recht’ baat niet
Het hof stelde vast dat loon niet alleen wordt genoten wanneer het daadwerkelijk is uitbetaald, maar ook wanneer het ‘vorderbaar en inbaar’ is. Het hof stelde dat de vader zijn loon had kunnen opeisen omdat de BV de loonheffingen over het bedrag had aangegeven en afgedragen, en het bedrag ten laste van de winst had gebracht. Dat de vader zich beriep op de mogelijkheid tot ‘Afstand van Recht’ (artikel 6:160 BW) zodat hij met terugwerkende kracht kon afzien van het loon, hielp hem niet. Het hof stelde vast dat van een daadwerkelijke correctie of een formele afstand in de administratie van de BV nog geen sprake was.
Lees hier de uitspraak.



Rare redenatie. Dat een BV iets wel of niet heeft verwerkt in zijn eigen administratie kan toch geen gevolgen hebben voor de werknemer?
In dit geval heeft meneer te weinig gedaan om de fout van de BV kenbaar te maken of aan te vechten. Daarmee heeft die de situatie impliciet geaccepteerd. U kunt altijd een mail sturen met u bezwaar en deze bewaren. Dan kunt u aantonen dat er in hun administratie wel een verzoek tot correctie ligt.
Veel gerechtshoven in NL hebben rechters uit de Maagdenhuis tijd die anti-ondernemer zijn. In conflicten met overheidsinstanties zoals SVB en belastingdienst heb je geen schijn van kans en hoger beroep bij CRVB is verloren tijd want daar lijkt het nog erger.
Dit is puur belastingontduiking van 2 kanten. Zoon en vader.
Een beetje al te doorzichtig als belastingontduiking