In deze samenvatting van het artikel “Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 bezien vanuit een belegger” van Hanneke Kroonenberg en Mark Buitenhuis, beiden werkzaam bij Van Lanschot Kempen (bron hieronder), wordt bekeken wat de regeling inhoudt, hoe deze werkt in de praktijk en wanneer het zinvol is er gebruik van te maken. Uiteraard biedt het gehele artikel praktische, casuïstische uitwerkingen en onderbouwende theorie.
Achtergrond: waarom deze regeling?
Sinds 2001 wordt in box 3 belasting geheven op basis van een forfaitair rendement. Deze systematiek leidde tot veel onvrede, vooral bij spaarders die te maken kregen met een lage spaarrente. Uiteindelijk besliste de Hoge Raad dat deze forfaitaire heffing in strijd is met Europees recht als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Dit heeft geleid tot de invoering van een tegenbewijsregeling.
Met deze regeling kunnen belastingplichtigen aantonen dat hun werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement en zo moge-lijk belasting terugkrijgen. De Belastingdienst heeft hiervoor een speciaal formulier beschikbaar gesteld, waarmee belastingplichtigen hun rendement kunnen doorgeven.
Hoe wordt het werkelijke rendement bepaald?
Het werkelijke rendement bestaat uit twee onderdelen:
- Directe opbrengsten, zoals rente, huur en dividend.
- Vermogensaanwas, oftewel het verschil in waarde van bezittingen en schulden tussen begin en eind van het jaar, gecorrigeerd voor stortingen en onttrekkingen.
Belangrijk om te weten:
- Er wordt geen rekening gehouden met het heffingvrij vermogen.
- Ook met inflatie wordt geen rekening gehouden.
- Verlies uit eerdere jaren mag niet worden verrekend.
- Kosten zoals advies- en transactiekosten zijn niet aftrekbaar, alleen betaalde rente op box 3-schulden is wel aftrekbaar.
- Het werkelijk rendement kan niet negatief worden, maar bedraagt minimaal nihil.
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.
Wie kan gebruikmaken van de tegenbewijsregeling?
- Voor belastingjaar 2021 en later kan iedereen met box 3-vermogen gebruikmaken van de regeling.
- Voor belastingjaren 2017 tot en met 2020 kan dit alleen als:
– de aanslag nog niet definitief vaststond op 24 december 2021;
– én er tijdig bezwaar is gemaakt of een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend.
Er loopt nog een procedure om te bepalen of ook mensen die géén bezwaar hebben gemaakt, alsnog gebruik mogen maken van de regeling.
Praktische voorbeelden voor beleggers
1. Obligaties:
Voor een belegger die alleen in obligaties belegt, bestaat het werkelijke rendement uit de ontvangen couponrente en de waardeverandering van de obligaties gedurende het jaar.
2. Aandelen:
Bij aandelen bestaat het rendement uit dividend én koerswinst (zowel gerealiseerd als ongerealiseerd). Als de aandelenkoersen zijn gedaald, kan het werkelijke rendement lager uitvallen dan het forfaitaire rendement, waardoor de tegenbewijsregeling interessant is. Maar let op: verliezen worden niet fiscaal gecompenseerd en het rendement kan nooit negatief zijn.
3. Gemengd vermogen (bijv. spaargeld, beleggingen, vastgoed):
Bij een combinatie van verschillende bezittingen kan het voorkomen dat verliezen op de ene bezitting (bijvoorbeeld aandelen) worden gecompenseerd door winst op een andere bezitting (bijvoorbeeld vastgoed). In dat geval kan het forfaitaire systeem juist voordeliger uitpakken. De tegenbewijsregeling geldt namelijk voor het totaalrendement op alle box 3-bezittingen, niet per categorie.
Wanneer is het gebruik van de regeling interessant?
Het is afhankelijk van de persoonlijke situatie of het gebruik van de tegenbewijsregeling interessant is. In veel gevallen lijkt het niet aantrekkelijk te kiezen voor de tegenbewijsregeling, vooral als:
- het vermogen relatief laag is (tot circa € 50.000 per persoon of € 100.000 voor fiscale partners), omdat in de tegenbewijsregeling geen rekening wordt gehouden met het heffingvrij vermogen;
- het vermogen hoofdzakelijk bestaat uit spaargeld, waarvan het werkelijke rendement vaak dicht bij het forfaitaire rendement ligt;
- er relatief hoge kosten zijn gemaakt (die niet aftrekbaar zijn in deze regeling).
Toch kan de regeling interessant zijn voor bijvoorbeeld beleggers in slechte beursjaren. Het is mogelijk het ene jaar gebruik te maken van de tegenbewijsregeling en het andere jaar niet en dan belast te worden op basis van het forfaitair rendement.
Privé beleggen of via de bv?
Beleggen via een bv kent een ander fiscaal regime. De winst in de bv wordt belast met vennootschapsbelasting (vpb) en als er dividend wordt uitgekeerd, volgt belasting in box 2. Door de nieuwe tegenbewijsregeling kan het privé beleggen gunstiger lijken dan beleggen in de bv. Dit is echter vaak niet het geval.
- Bij het verplaatsen van beleggingen uit de bv naar privé moet vaak worden afgerekend in box 2. Het omslagpunt ligt momenteel bij een rendement van ongeveer 11 procent (uitgaande van het hoge box 2-tarief en lage vpb-tarief). Pas daarboven is het doorgaans voordeliger in box 3 te beleggen.
Voor veel zakelijke beleggers zal het vaak interessanter zijn in de bv te blijven beleggen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk fiscaal aantrekkelijker in de bv te beleggen door de deelnemingsvrijstelling te gebruiken. In dat geval hoeft er geen vennootschapsbelasting te worden betaald.
Conclusie
Met de tegenbewijsregeling in box 3 kunnen belastingplichtigen in specifieke situaties belasting terugkrijgen. Maar de regeling is niet altijd voor-delig. Dit komt bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van het heffingvrij vermogen en de verplichte berekening over het hele box 3-vermogen. Voor de meeste zakelijke beleggers zal het vaak interessanter zijn in de bv te blijven beleggen.
Tekst: Hanneke Kroonenberg
Bron: Tijdschrift Familiebedrijven 2025/3. https://www.tijdschriftfamiliebedrijven.nl/2025/07/16/wetsvoorstel-tegenbewijsregeling-box-3-bezien-vanuit-een-belegger/
Deze bijdrage komt uit het AV-Top 50 magazine van december 2025. Het volledige magazine vind je hier (gratis download): https://www.accountancyvanmorgen.nl/kennisdoc/av-3-2025-av-top-50/



Geef een reactie