Dat antwoordt hij op Kamervragen van Kamerlid Stultiens (GroenLinks-PvdA), die volgden op berichtgeving in het FD en het Weekblad voor Fiscaal Recht. Daarin waarschuwde fiscalist Eric van Uunen voor strategisch ‘schuiven’ met inkomen, zoals het concentreren van rente- of huurinkomsten in één jaar om in andere jaren het lage werkelijke rendement aan te tonen en zo de heffing te minimaliseren.
Uitleg van de mogelijkheden en grenzen
De staatssecretaris bevestigt dat een belastingplichtige bij sommige banken door het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van een rentetermijn kan vervroegen, wat theoretisch een voordeel kan opleveren. Hij relativeert dit echter sterk: een dergelijke actie is pas voordelig als het totale werkelijke rendement op het gehele box 3-vermogen in dat jaar lager is dan het forfaitaire rendement. Omdat rendement op beleggingen doorgaans hoger is dan op sparen, zal deze manipulatie bij een gemengd vermogen vaak weinig effect hebben. Ook is volgens hem van tevoren onvoorzienbaar in welk jaar het gebruik van de tegenbewijsregeling gunstig is.
Over de mogelijkheid om belasting te ontwijken door het verkopen van het recht op toekomstige huurtermijnen, zoals Van Uunen schetste, is de staatssecretaris stellig: deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. In een technische uiteenzetting legt hij uit dat een dergelijke verkoop (cessie) juridisch leidt tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Dit genotsrecht drukt onmiddellijk de waarde van het pand in box 3. De ontvangen overdrachtsprijs wordt vervolgens niet in één keer als rendement belast, maar wordt over de looptijd van het genotsrecht verdeeld via een jaarlijks toenemende vermogensaanwas. Het uiteindelijk te belasten rendement over de gehele periode verandert hierdoor niet. Hij verwijst ter onderbouwing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BF3856).
Transitie naar nieuw stelsel en aanpassing overgangsrecht
Het kabinet benadrukt dat een keuzeregime inherent leidt tot mogelijkheden voor optimalisatie, een punt dat volgens de staatssecretaris ook bekend was bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling. De structurele oplossing wordt gezocht in de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028, waarin geen keuze meer mogelijk is. De behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer moet uiterlijk 15 maart 2026 zijn afgerond om de deadline te halen.
Wel kondigt de staatssecretaris een technische aanpassing aan in de overgangsregeling naar het nieuwe stelsel. Dit gebeurt na een herevaluatie naar aanleiding van de Kamervragen. Er ontbrak een verwijzing naar het artikel over genotsrechten in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken. Deze verwijzing zal alsnog worden toegevoegd via een separaat wetgevingstraject voor een aanpassingswet. Hierdoor wordt het waardedrukkende effect van bestaande genotsrechten (zoals die uit een cessie van huurtermijnen) correct meegenomen bij de start van het nieuwe stelsel, wat een ontwijkingsmogelijkheid bij de overgang blokkeert.
Ten slotte gaat de staatssecretaris in op het in de media aangehaalde standpunt van de Belastingdienst. Hij preciseert dat het recent gepubliceerde kennisgroepstandpunt (KG:213:2025:9) waar mogelijk naar werd verwezen, uitsluitend betrekking heeft op de vennootschapsbelasting en niet op box 3, en dat de regels daarom niet één-op-één vergelijkbaar zijn.


Is het niet rekening houden van heffingsvrij vermogen bij berekenen werkelijke rente (maar wel bij forfaitaire rente) niet oneerlijk voor de kleine spaarder/belegger, omdat die ondanks lagere rente niet lager uitkomt dan de forfaitare rente.
Is dit al eens aangekaart?