In dit artikel bespreken wij de kern van drie onderdelen uit die brief: de coronabelastingschulden, de stand van zaken bij de inning en het vernieuwde fiscale saneringsbeleid. Maar minstens zo belangrijk is de boodschap die wij al jaren in onze praktijk herhalen: gebruik de Belastingdienst niet als bank. Die boodschap is nu urgenter dan ooit.
Coronabelastingschulden: de stand per januari 2026
De coronabetalingsregeling loopt inmiddels ruim drie jaar. De cijfers laten zien dat het overgrote deel van de oorspronkelijke schuld is afgelost of anderszins afgewikkeld, maar dat er nog steeds een substantieel bedrag openstaat. Onderstaande tabel, afkomstig uit de Kamerbrief van maart 2026, geeft het overzicht.
Overzicht openstaande belastingschuld binnen coronabelastingschuldregeling
| Toelichting | Peildatum | Aantal ondernemers | Openstaande schuld |
| Totaal oorspronkelijk bedrag van aanslagen waarvoor uitstel is verleend | 1 april 2022 | 400.000 | € 48 miljard |
| Afbetaald vóór ingang regeling | 1 oktober 2022 | 133.000 | – € 28,4 miljard |
| Openstaande belastingschuld bij start betalingsregeling per 1 oktober 2022 | 1 oktober 2022 | 267.000 | € 19,6 miljard |
| Volledig afgelost | 28 januari 2026 | 79.000 | – € 2,7 miljard |
| Vermindering op aanslagen | n.v.t. | – € 0,7 miljard | |
| Uit de regeling | 93.000 | – € 5,1 miljard | |
| Deels afgelost binnen de regeling | 95.000 | – € 7,4 miljard | |
| Openstaande belastingschuld in de betalingsregeling | 28 januari 2026 | 95.000 | € 3,7 miljard |
Bron: Kamerbrief Belastingdienst, maart 2026 (peildatum 28 januari 2026)
Van de oorspronkelijke € 48 miljard aan coronabelastingschuld resteerde op 28 januari 2026 nog € 3,7 miljard bij 95.000 ondernemers die nog actief in de regeling zitten. Daarnaast zijn 93.000 ondernemers uit de regeling gevallen, met een openstaande schuld van € 5,1 miljard. Van dat bedrag is € 1,1 miljard oninbaar geleden en bevindt € 848 miljoen zich in insolventieprocedures.
Eind 2025 liep ongeveer een kwart van de ondernemers met een coronabetalingsregeling achter met betalen. Dit levert een continue stroom aan extra handmatig werk op voor de Belastingdienst. De insteek is om zoveel mogelijk ondernemers in de regeling te houden, omdat dit gunstiger is dan dwanginvordering, zowel voor de ondernemer als voor de Belastingdienst.
Inning onder druk: meer werk dan capaciteit
De Belastingdienst kampt al langere tijd met een structureel capaciteitsprobleem bij de invordering. Er is simpelweg meer werkaanbod dan beschikbare capaciteit. Dit leidt tot oplopende werkvoorraden, met name bij dwanginvordering en bij het leveren van maatwerk, zoals betalingsregelingen en saneringsverzoeken.
Voor 2026 neemt de Belastingdienst aanvullende maatregelen. Ten eerste krijgen klantverzoeken (zoals verzoeken om uitstel van betaling) prioriteit. Ten tweede wordt geïnvesteerd in digitale ondersteuning, waaronder het ‘Overzicht Betalen & Ontvangen’ waarmee burgers inzicht krijgen in hun schuldpositie. Ten derde worden aanbodbeperkende maatregelen ingevoerd: vorderingen die al lang openstaan en waar de inningskans gering is, worden administratief geparkeerd. Dit is nadrukkelijk géén kwijtschelding: de vorderingen blijven invorderbaar en verrekening of geautomatiseerde inning blijft mogelijk.
Wat betekent dit voor de praktijk? De Belastingdienst richt haar schaarse capaciteit op de gevallen waar de kans op betaling het grootst is. Wie als ondernemer denkt dat de Belastingdienst het toch te druk heeft om achter hem aan te komen, vergist zich. Belastingschulden worden nooit generiek kwijtgescholden, zo benadrukt de staatssecretaris expliciet.
Vernieuwd fiscaal saneringsbeleid per 1 januari 2027
Het fiscale saneringsbeleid wordt per 1 januari 2027 op drie punten gewijzigd. Ten eerste wordt in de regelgeving (in plaats van uitsluitend in de Leidraad Invordering 2008) vastgelegd dat de ontvanger kan toestaan dat zogenoemde ‘speciale schuldeisers’ niet hoeven toe te treden tot het saneringsakkoord. Denk aan banken voor zover hun vordering gedekt is door pand- of hypotheekrecht. Daarnaast wordt onderzocht hoe om te gaan met situaties waarin een belastingschuldige veel crediteuren heeft met relatief kleine vorderingen.
Ten tweede wordt verduidelijkt welke belastingschulden in het saneringsakkoord kunnen worden betrokken en welke fiscale verplichtingen tijdens de behandeling tijdig en volledig moeten worden voldaan. Belangrijk daarbij: een ondernemer die om sanering verzoekt, mag vorderingen met een factuurdatum na de datum van indiening van het verzoek voldoen zonder dat dit het akkoord in gevaar brengt.
Ten derde krijgt de belastingschuldige de mogelijkheid om bij zijn verzoek om kwijtschelding zelf een peildatum te kiezen, mits die peildatum ligt vóór de dag van indiening van het verzoek. Dit biedt meer flexibiliteit en vergroot de kans op een succesvol akkoord.
Deze wijzigingen zijn relevant voor iedere adviseur die betrokken is bij herstructurerings- en saneringstrajecten. Ze sluiten aan bij de WHOA-praktijk en bieden meer ruimte voor maatwerk.
De fiscus is geen bank
Nu de relevante beleidscontext geschetst is, komen wij bij de kern van dit artikel. In onze praktijk zien wij het keer op keer: ondernemers met betalingsproblemen betalen eerst hun leveranciers, hun verhuurder en hun personeel, en laten de Belastingdienst als laatste staan. De redenering is begrijpelijk: als je de leverancier niet betaalt, levert hij niet meer, en dan kun je niet produceren. Als je de verhuurder niet betaalt, sta je op straat. Maar de Belastingdienst is geen geduldig kredietloket.
Tijdens de coronacrisis was de situatie tijdelijk anders. De Belastingdienst verleende massaal bijzonder uitstel van betaling en ondernemers kregen de ruimte om andere crediteuren voorrang te geven. Die uitzonderlijke situatie is voorbij. De reguliere spelregels gelden weer volop, inclusief alle consequenties die daaraan verbonden zijn.
Een voorbeeld uit de praktijk
Stel: een handelsbedrijf heeft te maken met teruglopende omzet als gevolg van verstoorde handelsketens door het Midden-Oostenconflict. De BTW-aangifte over het vierde kwartaal moet worden betaald, maar de ondernemer besluit eerst een grote bestelling te plaatsen bij een niet-cruciale leverancier (bijvoorbeeld nieuwe kantoormaterialen of een voorraad accessoires waar op dat moment geen directe vraag naar is) en betaalt die factuur vóór de BTW-schuld. De ondernemer redeneert: ‘Die leverancier heb ik nodig voor de relatie, de Belastingdienst kan wel even wachten.’
Dit is een klassieke fout met potentieel verstrekkende gevolgen. Door bewust een niet-essentiële crediteur te betalen ten koste van de Belastingdienst, creëert de bestuurder een situatie die kan worden aangemerkt als selectieve betaling. En juist die selectieve betaling kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid.
Het juridische kader: waarom selectief betalen risicovol is
Artikel 36 Invorderingswet 1990: meldingsplicht betalingsonmacht. Zodra een rechtspersoon niet meer in staat is om loonheffing of omzetbelasting te betalen, is het bestuur verplicht dit onverwijld te melden bij de ontvanger van de Belastingdienst. ‘Onverwijld’ betekent in de praktijk: uiterlijk binnen twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn. Wordt deze melding niet of niet tijdig gedaan, dan geldt het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, en is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschuld. De bewijslast verschuift dan naar de bestuurder.
Artikel 2:248 BW: bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement. Indien het tot een faillissement komt, kan de curator bestuurders aansprakelijk stellen voor het tekort in het faillissement wanneer sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het selectief betalen van schuldeisers, in het bijzonder het bewust benadelen van de Belastingdienst ten gunste van andere crediteuren, kan door een curator worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Artikel 2:9 BW: interne aansprakelijkheid van bestuurders. Bestuurders zijn jegens de rechtspersoon verplicht tot een behoorlijke vervulling van hun taak. Selectief betalen van schuldeisers terwijl de vennootschap in betalingsnood verkeert, kan worden beschouwd als een ernstig verwijtbare handeling in de zin van dit artikel.
Artikel 3:45 BW: de actio pauliana. Wanneer een ondernemer een bepaalde schuldeiser bevoordeelt en daarmee verhaalsmogelijkheden aan de onderneming onttrekt en als zodanig andere schuldeisers benadeelt, kan dit onder omstandigheden paulianeus zijn en tot vernietiging van de rechtshandeling leiden.
Geen specifieke regeling voor het Midden-Oostenconflict
Het is begrijpelijk dat ondernemers die worden geraakt door de economische gevolgen van het Midden-Oostenconflict, of door de recente invoerheffingen van de Verenigde Staten, hopen op coulance van de Belastingdienst, vergelijkbaar met de coronaperiode. Die vergelijking gaat echter niet op. De Belastingdienst heeft geen specifieke uitstel- of kwijtscheldingsregeling geïntroduceerd voor de effecten van dit conflict. De reguliere instrumenten zijn en blijven van toepassing.
Dat betekent niet dat er geen opties zijn. Maar het vereist wél dat de ondernemer tijdig in actie komt. De volgende instrumenten staan ter beschikking:
Uitstel van betaling: een ondernemer kan bij de ontvanger een verzoek indienen voor uitstel van betaling of een betalingsregeling (artikel 25 Invorderingswet 1990). Cruciaal is dat lopende verplichtingen tijdig worden voldaan.
Minnelijk saneringsakkoord: als de betalingsproblemen structureel zijn, kan de ondernemer samen met een adviseur een minnelijk saneringsakkoord aanbieden aan alle schuldeisers, inclusief de Belastingdienst (artikel 26 Invorderingswet 1990).
WHOA (Wet Homologatie Onderhands Akkoord): bij een dreigende insolventiesituatie biedt de WHOA (artikelen 370 e.v. Faillissementswet) de mogelijkheid om een onderhands akkoord aan te bieden dat, na homologatie door de rechtbank, ook tegenstemmende schuldeisers bindt. Dit instrument is bij uitstek geschikt wanneer de Belastingdienst niet meewerkt aan een minnelijk akkoord.
To do’s voor de accountant
De accountant is vaak de eerste adviseur die signalen van betalingsproblemen opvangt, soms eerder dan de ondernemer zelf. Die positie brengt niet alleen een kans met zich mee, maar ook een verantwoordelijkheid. Hieronder de belangrijkste actiepunten.
1. Signaleer betalingsproblemen en ga het gesprek aan. Betalingsproblemen beginnen zelden van de ene op de andere dag. De signalen zijn er vaak al eerder: oplopende crediteurenstanden, structureel te late betalingen aan de Belastingdienst, achterstallige aangiften of een toenemend beslag op de rekening-courant. Als accountant heb je inzicht in deze cijfers. Wacht niet tot de ondernemer er zelf over begint. Maak het bespreekbaar, ook als dat een ongemakkelijk gesprek is. Leg het gesprek en de uitkomsten vast in je dossier. Een tijdige signalering kan het verschil maken tussen een gecontroleerde herstructurering en een ongecontroleerd faillissement.
2. Wijs op de meldingsplicht betalingsonmacht. Zodra duidelijk wordt dat de onderneming niet meer in staat is om loonheffing of omzetbelasting tijdig te voldoen, moet het bestuur dit onverwijld melden bij de ontvanger van de Belastingdienst (artikel 36 Invorderingswet 1990). In de praktijk betekent ‘onverwijld’ uiterlijk twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn. Het belang van deze melding kan niet genoeg worden benadrukt: zonder tijdige melding verschuift de bewijslast naar de bestuurder en dreigt hoofdelijke aansprakelijkheid. De accountant dient de ondernemer hier actief op te wijzen en te adviseren over de wijze van melden.
3. Beoordeel of een betalingsregeling of sanering nodig is. Niet iedere betalingsachterstand vereist direct een saneringsvoorstel. Soms volstaat een verzoek om uitstel van betaling of een betalingsregeling (artikel 25 Invorderingswet 1990). Maar als de betalingsproblemen structureel zijn en de ondernemer niet in staat is om de schuld binnen een redelijke termijn volledig af te lossen, dan is een verdergaande stap nodig. De accountant is bij uitstek in de positie om deze afweging te maken op basis van de liquiditeitsprognose, de schuldenpositie en de verwachte continuïteit. Leg je analyse en je advies vast.
4. Verwijs tijdig door naar een specialist. Herstructurering en sanering zijn specialistisch werk. Een minnelijk akkoord vereist kennis van de Leidraad Invordering, het fiscale saneringsbeleid en de onderhandelingspraktijk met de ontvanger. Een WHOA-traject vraagt daarbovenop juridische expertise op het gebied van de Faillissementswet. De accountant hoeft dit niet allemaal zelf te doen, maar moet wél tijdig de juiste specialisten inschakelen: een herstructureringsdeskundige voor de financiële analyse en het saneringsvoorstel, een advocaat voor de juridische begeleiding en eventueel een mediator als de verhoudingen met schuldeisers zijn vastgelopen. Hoe eerder die doorverwijzing plaatsvindt, hoe meer opties er nog zijn.
5. Voorkom dat je cliënt de fiscus als bank gebruikt. Dit is misschien wel het belangrijkste punt. Maak de ondernemer duidelijk dat het selectief betalen van crediteuren ten koste van de Belastingdienst niet alleen risicovol is, maar ook de mogelijkheden voor een toekomstig akkoord kan ondermijnen. Een saneringsakkoord met de Belastingdienst vereist dat lopende fiscale verplichtingen tijdig worden nagekomen. Een ondernemer die maandenlang de BTW niet heeft betaald terwijl hij wel andere schuldeisers bediende, maakt het zichzelf en zijn adviseur aanzienlijk lastiger. Bespreek dit proactief en leg het advies schriftelijk vast.
Conclusie: tijdig handelen is de sleutel
De boodschap aan ondernemers en hun adviseurs is helder. Als je constateert dat je betalingsproblemen hebt en dat die situatie niet op redelijk korte termijn verandert, dan moet je in actie komen. Wachten, hopen en ondertussen de Belastingdienst als bank gebruiken is geen optie. Het is juridisch risicovol, het beperkt de mogelijkheden voor een sanering, en het kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders.
De adviseur speelt hierin een sleutelrol. Maak het gesprek met je cliënt niet vrijblijvend. Wijs op de meldingsplicht betalingsonmacht, op de risico’s van selectief betalen en op de beschikbare instrumenten. En verwijs door naar een gespecialiseerde herstructureringsdeskundige als de problematiek complexer wordt.
De Belastingdienst heeft met het vernieuwde saneringsbeleid per 2027 laten zien dat er beweging is richting meer flexibiliteit en maatwerk. Maar die flexibiliteit werkt alleen als de ondernemer tijdig aan de bel trekt. Niet áls het te laat is, maar wanneer de eerste signalen zich aandienen.
Jan Wietsma AA is partner van MKB-kredietcoach B.V. gespecialiseerd in WHOA-herstructurering en bedrijfscoaching voor MKB-ondernemingen. Hij is tevens lid van de NBA Taskforce Continuïteit.
Mr. Benne van Leeuwen is advocaat bij VLDW Advocaten te Goes en gespecialiseerd in insolventierecht
Wil je leren hoe je als accountant ondernemingen adequaat adviseert over het herstructureren van schulden? Volg dan de leergang Herstructureringsdeskundige MKB die dit najaar voor de achtste keer wordt georganiseerd. Meer weten? https://www.mkb-bedrijfscoach.nl/oplossingen/cursussen/opleiding-mkb-herstructureringsdeskundige/


Geef een reactie