De rechter-commissaris (RC) bij de rechtbank Rotterdam heeft onlangs geoordeeld dat de FIOD zonder voorafgaande filtering onderzoek mag doen in omvangrijke administratieve datasets van verdachten in een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Volgens de RC is er geen redelijk vermoeden dat deze gegevens verschoningsgerechtigd materiaal bevatten. De beslissing van 20 maart 2026 volgt op een regiebijeenkomst waarin het Openbaar Ministerie en de verdediging lijnrecht tegenover elkaar stonden over de vraag of delen van de administratie eerst moesten worden gescreend op vertrouwelijke communicatie met advocaten of notarissen.
Gevoelige informatie
De zaak draait om verschillende databronnen die in het onderzoek zijn veiliggesteld, waaronder digitale auditbestanden uit de Exact-administratie van de verdachte rechtspersoon, een SQL-database afkomstig van een softwareleverancier en gegevens die zijn verstrekt door een extern administratiekantoor en een voormalige zakelijke dienstverlener.
Volgens de verdediging kan uit financiële administratie indirect gevoelige informatie blijken, bijvoorbeeld doordat betalingen aan advocaten inzicht geven in de aard van de juridische bijstand of de specialisatie van de ingeschakelde advocaat. Daarmee zou volgens de raadslieden sprake kunnen zijn van gegevens die onder het functioneel verschoningsrecht vallen en dus vooraf gefilterd moeten worden.
Interne boekhoudkundige gegevens
Het Openbaar Ministerie stelde daartegenover dat het uitsluitend gaat om interne boekhoudkundige gegevens die niet zien op inhoudelijke communicatie met verschoningsgerechtigden. De rechter-commissaris volgt dat standpunt en benadrukt dat het verschoningsrecht weliswaar een fundamenteel beginsel is, maar geen onbeperkte reikwijdte heeft. Alleen informatie die een advocaat of notaris in die hoedanigheid vertrouwelijk heeft verkregen of uitgewisseld, komt voor bescherming in aanmerking.
Verschoningsgerechtigde informatie
Daarbij geldt dat opsporingsinstanties verplicht zijn om inbreuken op het verschoningsrecht te voorkomen zodra er een redelijk vermoeden bestaat dat gegevens daaronder vallen. De RC maakt echter duidelijk dat zo’n vermoeden concreet moet worden onderbouwd. De enkele stelling dat mogelijk verschoningsgerechtigde informatie aanwezig is, is daarvoor onvoldoende.
In dit geval gaat het volgens de RC om klassieke administratieve gegevens, zoals grootboekmutaties, banktransacties en andere boekhoudkundige registraties die zijn bedoeld voor intern gebruik binnen een onderneming, bijvoorbeeld voor het opstellen van jaarrekeningen en belastingaangiften. Van doorslaggevend belang is dat deze gegevens niet afkomstig zijn van een advocaat of notaris, niet door hen zijn opgesteld en ook geen communicatie met hen bevatten.
Dat in de administratie betalingen aan advocaten of notarissen zichtbaar kunnen zijn, maakt die gegevens volgens de rechter nog niet vertrouwelijk. De rechter trekt daarbij een duidelijke lijn: een declaratie van een advocaat kan onder omstandigheden wel onder het verschoningsrecht vallen, maar de enkele administratieve vastlegging van een betaling daarvan maakt geen deel uit van het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt.
Ter onderbouwing verwijst de rechter-commissaris naar meerdere arresten van de Hoge Raad. Zo wordt het arrest uit 2018 over camerabeelden in een ziekenhuiscontext onderscheiden, omdat dat betrekking had op gegevens binnen de sfeer van een verschoningsgerechtigde instelling. In de voorliggende zaak bevinden de gegevens zich juist volledig buiten die sfeer. Ook eerdere rechtspraak uit 2011 bevestigt dat het enkele feit dat uit gegevens een mogelijke relatie met een advocaat kan worden afgeleid, niet betekent dat die gegevens beschermd zijn. Een recenter arrest uit 2023 over het gebruik van zoektermenlijsten in het kader van filtering wordt eveneens niet relevant geacht, omdat dat een ander type procesinstrument betreft.
Administratiekantoor
Een belangrijk onderdeel van het verweer betrof de gegevens die waren verstrekt door een extern administratiekantoor. De verdediging voerde aan dat een dergelijk kantoor niet beschikt over de juridische expertise om zelfstandig te beoordelen welke informatie onder het verschoningsrecht valt en dat daarom extra waarborgen nodig zijn. De rechter gaat daar niet in mee en stelt vast dat de verdediging, ondanks een expliciet verzoek daartoe, niet concreet heeft onderbouwd waarom juist in deze gegevens verschoningsgerechtigd materiaal aanwezig zou zijn. Daardoor blijft het bij een algemene stelling die juridisch onvoldoende is om een redelijk vermoeden aan te nemen.
Ook de gegevens die afkomstig zijn van een andere zakelijke dienstverlener geven volgens de rechter geen aanleiding voor filtering. Het gaat om stukken van beperkte en administratieve aard, zoals correspondentie over het beëindigen van de dienstverlening, een betalingsherinnering, belastingaangiften en uittreksels uit het handelsregister. Volgens de rechter bevatten deze stukken geen vertrouwelijke communicatie met verschoningsgerechtigden en is het ook niet aannemelijk dat daaruit een beschermde relatie blijkt.
De slotsom is dat voor geen van de onderzochte datasets een redelijk vermoeden bestaat dat zij verschoningsgerechtigd materiaal bevatten. Dat betekent dat de FIOD zonder voorafgaande filtering onderzoek mag doen in de auditbestanden, de SQL-database en de door derden verstrekte administratieve gegevens.


Geef een reactie