Private equity wint in Nederland steeds meer aan terrein. Uit cijfers van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP) komt naar voren dat in 2024 bij 2748 Nederlandse bedrijven een private equity- of venture capitalinvesteerder aan boord was en dat deze ondernemingen sinds 2007 samen ruim 91 miljard euro aan financiering hebben ontvangen. Ook de werkgelegenheid nam in 2023 bij bedrijven met private equity sneller toe: 5,3 procent, tegen 1,6 procent landelijk. Volgens economievakblad ESB, dat in februari een wetenschappelijk artikel plaatste over dit onderwerp, zou daarnaast de omvang van de buy-outinvesteringen de afgelopen tien jaar ruim verdubbeld zijn tot 5,7 miljard euro. De groei van private investeringen is met deze feiten inmiddels moeilijk te ontkennen. En voor sommige bedrijven blijkt die ook nog eens bijzonder winstgevend.
Het succes van de Action
Een bekend succesverhaal is de Action. Waar ketens zoals de V&D en Blokker na overnames in zwaar weer terechtkwamen, plukt Action er de vruchten van. De overname van de budgetketen uit Enkhuizen door 3i Group in 2011, waar volgens een artikel in het vakblad M&A naar schatting 330 miljoen euro mee gemoeid was, wordt gezien als een succesvolle retaildeal. Het bedrijf zou inmiddels ruim dertig miljard euro waard zijn. Sinds de overname versnelde bovendien de groei: van ongeveer dertien procent per jaar naar ongeveer twintig procent. Action telt nu meer dan drieduizend winkels in meerdere landen en gemiddeld zet een filiaal niet alleen 4,7 miljoen euro om, maar levert daarnaast ongeveer 700.000 euro winstbijdrage op. Daarmee lijkt de investering zich al binnen een jaar te hebben terugverdiend.
Financiële prikkels in dierenzorg
Maar er zijn ook voorbeelden waar een PE-overname vergaande gevolgen had voor werknemers en klanten. Bij dierenartskliniekketen Evidensia ontstond onvrede na de komst van investeerders EQT, Silver Lake en Nestlé. Uit meerdere artikelen van NRC, dat veelvuldig onderzoek naar de keten deed, zou blijken dat pensioenpremies niet volledig werden afgedragen en investeerders te weinig geld uitkeerden aan zieke werknemers. Bovendien stuurden de investeringspartijen hoofdzakelijk aan op rendement. Dit vertaalde zich in hogere prijzen voor klanten, financiële prikkels en veel druk op artsen om een hogere omzet te genereren, door bijvoorbeeld behandelingen te verrichten die niet echt nodig waren. Dierenartsen besloten massaal ergens anders aan de slag te gaan en hierdoor moest Evidensia in korte tijd 24 praktijken sluiten.
Estro failliet door wanbeleid
Partou, CompaNanny, Babilou Family en Samenwerkende Kinderopvang: allemaal zijn ze in handen van private investeerders. Dit komt volgens onderzoek van de SEO neer op twaalf procent van de in de in totaal 70 onderzochte kinderopvangorganisaties. Een relatief klein percentage, maar dat wil niet zeggen dat het geen invloed kan hebben. Zo ging in 2014 de destijds grootste Nederlandse kinderopvangorganisatie Estro failliet. Het bedrijf was vier jaar eerder overgenomen door het Amerikaanse Providence Equity Partner. Uit later verricht onderzoek door de curator kwam naar voren dat voorafgaand aan de deal sprake was van wanbeleid en er gekozen was voor een risicovolle investeringsvorm. Overigens werd Estro snel weer overgenomen door SmallSteps. Saillant detail is dat het nieuwe bedrijf uit enkele oud-bestuurders en -managers van Estro bestond, iets waar de nieuwe organisatie veel kritiek op kreeg. Smallsteps sloot na de doorstart minder goed lopende locaties, hierdoor was voor ongeveer twintig procent van de 40.000 kinderen geen opvangplek meer en kwamen duizend medewerkers op straat te staan. Het voorval leidde tot maatschappelijke onrust, politieke discussie, en FNV droeg aan om private equity zelfs helemaal te weren uit de zorg. Uiteindelijk nam de Tweede Kamer een motie waarmee het kabinet wordt verzocht ‘bij de uitwerking van het nieuwe stelsel voor kinderopvangfinanciering private equity uit de kinderopvang te weren’.
Tarieven en kwaliteit
Uit het SEO-onderzoek komt verder naar voren dat kinderopvanglocaties die onder investeerders vallen gemiddeld vier tot acht procent hogere tarieven rekenen dan andere aanbieders, maar ook dat zij vaker in meer welvarende wijken zitten, minder vaak kwaliteitsregels overtreden en dat zowel medewerkers als ouders – op hogere prijzen na – weinig verschillen ervaren. De auteurs van het eerdergenoemde ESB-artikel komen tot een soortgelijke conclusie, namelijk dat uit hun bronnenonderzoek zou blijken dat er ‘tot nu toe geen overtuigend empirisch bewijs is dat private equity structureel leidt tot lagere kwaliteit of hogere kosten, ook niet in semipublieke sectoren’. Wel blijft het risico op lokale marktmacht een aandachtspunt. Om marktfalen te voorkomen en meer bescherming te bieden, is volgens de auteurs regulering vanuit de overheid nodig.
Risicovol private debtfonds
Ook Jacques Jetten, partner van overnamespecialist Aeternus, kent de Estro-zaak maar is van mening dat grote incidenten binnen private equity uitzonderingen zijn. “Het is absoluut niet goed te praten hoe het bij deze organisatie is gelopen, maar dit komt gelukkig niet vaak voor. En een investeerder moet zich aan de wet houden. Zij mogen alle regels gebruiken, maar je krijgt dus geen slechte kinderopvang of zorginstelling door een private investeerder.” Er was volgens hem bij Estro sprake van een constructie met een private debt-fonds. “Als een te groot deel van de koopprijs wordt gefinancierd met leningen met vaak een hoge rente, betekent dit meer risico. Het loopt mis als de verwachte groei uitblijft, overnames mislukken of bijvoorbeeld als het businessmodel te veel afhankelijkheid is van wetgeving die plotseling wijzigt. Het bedrijf kan dan de schuld en rente niet meer opbrengen. Het is misschien goed om te weten dat tachtig á negentig procent bewust niet voor een risicovolle investeringsvorm kiest.”
Weinig exits
Aeternus doet jaarlijks onderzoek naar private equity in Nederland. Het laatste rapport over de tweede helft van 2024 laat onder meer zien dat er in die periode 300 private equity-bedrijven actief waren die in 5499 bedrijven investeerden en dat de IT-, software- en technologiebranche nog altijd erg populair is (30 procent van het totaal). Ook toont het rapport aan dat ruim 86 procent van de mkb-bedrijven met een PE-investeerder in handen is van een Nederlandse partij en dat buitenlandse investeerders vooral naar bedrijven in het hogere segment kijken. Nog een opvallende trend: er vonden maar 82 exits plaats. Dat is ruwweg anderhalf procent van de portefeuille en ligt onder de verwachting van zeven á tien procent. Een tijdelijke dip of gaat het PE-model veranderen? “Dit is een tijdelijke dip”, zegt Jetten. “Door onder meer geopolitieke spanningen was het bedrijfsresultaat in bepaalde branches even minder. Een PE-partij stapt in en wil graag op een goed moment verkopen. De markt was daar niet naar, dus werden exits uitgesteld. Veel PE-fondsen hebben een maximale looptijd en moeten daarom op een gegeven moment verkopen. De manier om een min of meer gedwongen verkoop te voorkomen, is door een zogenaamd continuation fund op te richten, dat verdergaat met deze bedrijven. Met zo’n fonds kan je een afgesproken verkoopmoment bijvoorbeeld nog enkele jaren uitstellen en wachten op betere tijden.”
Geen wondermiddel

Volgens Jetten is het belangrijk om te beseffen wanneer je private equity overweegt dat het geen wondermiddel is. “Het zijn geen mensen met een toverstokje. Een PE-partij heeft echt niet het ultieme inzicht, het succes van een bedrijf drijft voornamelijk op het management of de eigenaar. Maar een PE-partij houdt ondernemers wel scherp. Het belangrijkste is dat ze de strategische agenda bewaken en hierop bijsturen als dat niet gebeurt. Hierdoor ontwikkelen bedrijven zich sneller. Die focus blijft wegens drukte nog wel eens achter, en een PE-partij kan helpen om het daadwerkelijk door te voeren.” Het is naar zijn idee verder essentieel dat er een goede klik is en de ondernemer moet in staat zijn om open te staan voor strategieontwikkeling en die met de investeerder te delen. “Wat ook niet bevorderlijk is, is als de bedrijfseigenaar de ontwikkeling van het bedrijf wezenlijk anders ziet dan de PE-partij. Je moet bij deze investeringsvorm wat dat betreft meer in kansen denken dan in kosten. Daarnaast is het heel belangrijk om samen het tijdspad te bespreken en af te stemmen op welk moment je gaat verkopen. Als de één sneller wil verkopen dan de ander, loopt het nog wel eens stuk. Je moet wel samen bepalen wanneer het bedrijf verkoopklaar is ”
Balans vinden
Tussen de dertien tot vijftien procent van de Nederlandse accountantskantoren heeft inmiddels te maken met private equity en Jetten ziet daarin enkele opvallende trends. “Mijn verwachting is ten eerste dat AI zeker de samenstelpraktijk enorm zal veranderen en in mindere mate de controlepraktijk. Er zal hierdoor omzet wegvallen en die zal door andere omzet gecompenseerd moeten worden. Eigenlijk zie ik de toekomst van accountancy meer als een soort automatiseringsbedrijf met domeinkennis van administratieve processen. Ook de cultuurverandering van de beweging naar grotere kantoren heeft impact. Mensen die bij een regionaal of lokaal kantoor werkten, krijgen ineens te maken met een ‘echt bestuur’, in plaats van een regiokantoor met een maatschap en vennoten. En dat kan best even wennen zijn. Bestaande medewerkers kunnen hierdoor afhaken. Maar zoals vaker biedt het ook weer kansen, zeker als je besluit je dienstverlening te veranderen.”
Bestaansrecht
Wanneer een kantoor besluit zelfstandig te blijven zal automatisering en AI volgens Jetten anders moeten worden gaan ingevuld. “Bijvoorbeeld door samenwerking met soortgenoten”, legt hij uit. “Zoals we weten, is dit geen gemakkelijke weg. Maar er zal altijd ruimte blijven voor gespecialiseerde kantoren. Die vinden daarin hun bestaansrecht.” Moet een kantoor gaan samenwerken met PE? “Dat moet ieder kantoor natuurlijk zelf weten en alles heeft twee kanten. Maar bij een private equity-investeerder mag je in veel gevallen eigen baas blijven en blijft de bedrijfscultuur behouden. Verder houdt een kantoor zijn eigen identiteit en label in de markt, dit is bij een volledige overname door een grotere partij niet zo.” En er wordt, zoals eerder genoemd, gestuurd om geld te reserveren voor innovatie en AI.
Is de juiste partij gevonden en de deal gemaakt, dan komt het er Jetten op aan om samen een balans te zien vinden. Iets dat vaak wat tijd nodig heeft. “Ondernemers voelen de markt en het team vaak beter aan dan PE-partijen, die meestal sneller willen gaan. Het is wat dat betreft zaak een balans te zien vinden tussen investeren, groeien en een goed rendement te zien behalen. Maar ik weet uit de praktijk: iedereen zit met de beste intenties aan tafel. Ook een PE-partij wil uiteindelijk het beste voor het bedrijf. Dat is immers ook in zijn belang.”

Tekst: Claudia Pietryga
Deze bijdrage komt uit het AV-magazine met als thema Fusies en overnames. Dit magazine is verschenen in april 2026 https://www.accountancyvanmorgen.nl/kennisdoc/av1-2026-fusies-en-overnames/


Geef een reactie