Volgens het College heeft de accountant onvoldoende professioneel-kritisch gehandeld, geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen en bovendien het controledossier achteraf gewijzigd zonder de daarvoor geldende regels na te leven.
De zaak begon nadat de Reviewcommissie van de SRA in 2015 twee wettelijke controles van het accountantskantoor als onvoldoende had beoordeeld. Het kantoor werd vervolgens als ‘rood kantoor’ overgedragen aan de AFM. De toezichthouder onderzocht daarna zowel het stelsel van kwaliteitsbeheersing als twee wettelijke controles over boekjaar 2016 van een producent van televisie-uitzendingen en een handelsonderneming in promotieartikelen.
De accountant, die naast extern accountant ook beleidsbepaler en compliance officer van het kantoor was, kreeg van de AFM het verwijt dat hij bij beide controles onvoldoende werkzaamheden had uitgevoerd om het controlerisico naar een aanvaardbaar laag niveau terug te brengen. Centraal stond de controle van de omzetverantwoording. Volgens de AFM had hij onvoldoende controle-informatie verkregen over het voorkomen, de volledigheid, de nauwkeurigheid en de afgrenzing van de omzet en had hij de controles niet uitgevoerd met de vereiste professioneel-kritische instelling.
Volledigheid omzet moest wel degelijk worden gecontroleerd
In hoger beroep voerde de accountant onder meer aan dat hij de volledigheid van de omzet niet hoefde te controleren, omdat hij geen significant frauderisico had geïdentificeerd. Het College volgt dat niet. Onder verwijzing naar de controlestandaarden benadrukt het CBb dat een accountant, ongeacht de risico-inschatting, gegevensgerichte controles moet uitvoeren op materiële transactiestromen zoals omzet.
Daarbij speelt volgens het College ook mee dat de accountant zichzelf in het controledossier expliciet ten doel had gesteld “de juistheid en volledigheid van de omzetverantwoording” te controleren. De AFM mocht hem daarom houden aan de controleaanpak die hij zelf had vastgelegd. Het College onderschrijft het oordeel van de Accountantskamer dat de accountant risico’s “wegredeneerde” in plaats van controlewerkzaamheden uit te voeren.
Dat gebeurde volgens het College onder meer bij de controle van basiscontracten voor sportuitzendingen. De accountant stelde dat het niet aannemelijk was dat prestaties buiten de voorcalculaties vielen, maar controleerde dat niet daadwerkelijk. Ook de betaling van voorschotten bood volgens het CBb geen zekerheid dat prestaties daadwerkelijk waren geleverd en correct in de omzet waren verwerkt.
Geen steun mogelijk op IT-controls
Een belangrijk onderdeel van de uitspraak draait om de IT-omgeving van de gecontroleerde onderneming. Tijdens het controlejaar was overgestapt naar een nieuwe IT-omgeving waarbij databases van verschillende applicaties waren gemigreerd. Volgens het CBb had de accountant zelfstandig moeten vaststellen dat de data en instellingen juist, volledig en zonder ongeautoriseerde wijzigingen waren overgezet.
Het College verwerpt het verweer dat de IT-leverancier een onafhankelijke partij was en dat geen aanwijzingen bestonden voor manipulatie. Ook niet-opzettelijke fouten hadden volgens het College kunnen optreden. Bovendien wees de IT-auditor van het eigen kantoor al op risico’s rond gebruikersrechten en change management.
De accountant verweerde zich gedurende de procedure veelvuldig met verwijzingen naar een “controlemix” van werkzaamheden en naar stukken die volgens hem in het controledossier of op een netwerkschijf aanwezig waren. Het College vindt dat onvoldoende. Volgens het CBb bleef onduidelijk welke werkzaamheden precies waren uitgevoerd en waar die in het controledossier waren terug te vinden.
Dual-purpose test onvoldoende onderbouwd
Ook bij de tweede gecontroleerde onderneming liep de accountant vast op de documentatie van zijn werkzaamheden. Hij had bij dertien projecten een zogenoemde dual-purpose test uitgevoerd. Volgens hem ging het slechts om een inventarisatie van opzet en bestaan van beheersingsmaatregelen, maar uit zijn eigen controledossier bleek volgens het College juist dat hij de effectieve werking van die maatregelen wilde toetsen.
Het CBb benadrukt dat een accountant mag worden gehouden aan wat hij zelf in het controledossier heeft vastgelegd. Daarbij verwijst het College naar passages waarin de accountant expliciet schreef dat de werkzaamheden bedoeld waren om conclusies te trekken over de effectieve werking van interne beheersingsmaatregelen.
Ook het verweer dat documentatie mondeling mocht worden toegelicht, haalt het niet. Het College wijst erop dat mondelinge toelichting volgens de controlestandaarden alleen kan dienen ter verduidelijking van bestaande documentatie, niet om ontbrekende controlewerkzaamheden achteraf alsnog te verklaren.
Wijzigingen in controledossier
Een afzonderlijk verwijt betrof het achteraf wijzigen van het controledossier. Een Excel-document in het dossier werd ruim na afloop van de wettelijke archiveringstermijn vervangen door een uitgebreidere versie met extra tabbladen, aanvullende kolommen en gewijzigde teksten.
Volgens de accountant ging het slechts om een “verrijking” van het dossier, maar het College spreekt van vervanging, wijziging en uitbreiding van bestaande controledocumentatie. Daarmee had de accountant moeten voldoen aan de eisen van NV COS 230.16, waaronder het documenteren van de reden van de wijziging en wie deze had aangebracht en beoordeeld. Dat was niet gebeurd.
De Accountantskamer had daarnaast al opgemerkt dat de accountant zich in de procedure misleidend had uitgelaten door te stellen dat de wijzigingen waren besproken met “de externe accountant/compliance officer”, terwijl hij zelf beide functies vervulde. Dat punt maakte formeel geen onderdeel uit van de klacht, maar de tuchtrechter noemde de formulering wel ernstig.
Drie maanden doorhaling blijft overeind
Het CBb acht de maatregel van tijdelijke doorhaling van drie maanden passend en geboden. Daarbij weegt mee dat sprake was van soortgelijke tekortkomingen bij twee wettelijke controles en dat de accountant volgens het College onvoldoende inzicht heeft getoond in wat van een controlerend accountant mag worden verwacht.
Wel houdt het College, net als de Accountantskamer eerder deed, rekening met de lange duur van de procedure. Ook neemt het CBb mee dat de AFM kort na de uitspraak van de Accountantskamer een publicatie op haar website plaatste waarin weliswaar niet de naam van de accountant, maar wel die van zijn kantoor werd genoemd, waardoor de zaak eenvoudig tot hem te herleiden was.
De uitspraak van de Accountantskamer blijft daarmee volledig in stand.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:226


Geef een reactie