Een BV is een factoringmaatschappij binnen een concern. De werkzaamheden bestaan uit het overnemen en innen van handelsvorderingen op derden van groepsmaatschappijen. De handelsvorderingen hebben een looptijd van maximaal 90 dagen en worden door de BV overgenomen op non-rencourse basis, wat zoveel wil zeggen dat de BV (onmiddellijk) de eigendom verkrijgt en het debiteurenrisico volledig overneemt. De BV neemt de handelsvorderingen over tegen de nominale waarde minus een zogenoemde ‘factoring fee’. Die fee bestaat uit een marge en een zogenoemde Reference Rate. Het verschil tussen de aankoopwaarde van de handelsvorderingen en hetgeen uiteindelijk daarop wordt voldaan komt tot uitdrukking in het resultaat van de BV.
Kan resultaat als rentebate van geldleningen worden gezien?
De inspecteur past bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting over 2019 de earningsstrippingmaatregel toe en weigert € 7.748.037,- aan rentelasten in aftrek. In geschil voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, en later na het hoger beroep van de BV voor gerechtshof ’s-Hertogenbosch, is of het door de BV met haar factoring-activiteiten gerealiseerde resultaat kwalificeert als rentebaten ter zake van geldleningen in de zin van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb.
Het hof overweegt dat, op grond van artikel 15b, lid 1, Wet Vpb, bij het bepalen van de in een jaar genoten winst het saldo aan renten niet in aftrek komt voor zover dat meer bedraagt dan 30% van de gecorrigeerde winst of € 1.000.000,-. Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten van geldleningen. Onder een geldlening wordt in dit kader verstaan een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst.
Geen overeenkomst en geen terugbetalingsverplichting
Bij de toetsing aan de nationale wettelijke regeling gaat volgens het hof om twee relaties. In de eerste plaats om de relatie tussen de BV en de groepsvennootschappen waarvan handelsvorderingen worden overgenomen en in de tweede plaats om de relatie tussen de BV en de handelsdebiteuren. Het hof overweegt dat in de relatie tussen de BV en de groepsvennootschappen waarvan handelsvorderingen worden overgenomen sprake is van koop van activa (namelijk de handelsvorderingen), waarbij de BV een koopsom is verschuldigd en deze voldoet.
De eigendom van deze activa gaat volledig over op de BV en ook alle risico’s, zoals het debiteurenrisico. Er is geen sprake van een overeenkomst van geldlening tussen de BV en de groepsvennootschappen en er kan evenmin worden gesproken van een ‘daarmee vergelijkbare overeenkomst’. De BV stelt niets aan de groepsvennootschappen ter beschikking (geen hoofdsom in geld of in een andere vorm) en er is ook geen sprake van een terugbetalingsverplichting. Met de koop en de voldoening van de koopsom is de relatie tussen koper en verkoper beëindigd.
A pari uitgegeven obligatielening
In de relatie tussen de BV en de handelsdebiteuren overweegt het hof dat door de overname van de handelsvorderingen een schuldrelatie ontstaat tussen de BV als schuldeiser en de handelsdebiteuren als schuldenaar. De handelsvorderingen zijn echter geen overeenkomsten van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomsten. Als deze handelsvorderingen worden voldaan binnen 90 dagen na het ontstaan daarvan, wordt er ook geen rente berekend en is er dus geen sprake van rentebaten op deze handelsvorderingen.
Het hof heeft wel beoordeeld of een eerder geval uit de parlementaire geschiedenis tot een ander oordeel zou moeten leiden. Het ging hierbij om een situatie waarbij sprake is van een a pari uitgegeven obligatielening met een vaste couponrente die op enig moment beneden pari wordt verkocht. Daarbij zou bij de koper, naast de nominale rente, ook de aangroei van de schuldvordering tot nominale waarde als rentebate aangemerkt. Maar hierbij moet het gaan om aangroei in verband met een toename van de kredietwaardigheid van de debiteur.
Het hof betwijfelt of de waardeaangroei van de schuldvordering tot nominale waarde kan worden gezien als een rentebate, ook al wordt dit begrip economisch geïnterpreteerd. Dit roept de vraag op of in de betreffende zaak waarin handelsvorderingen beneden pari worden aangekocht, de aangroei naar nominale waarde in zoverre toch als rentebate moet worden gezien. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend omdat doorslaggevend is, in tegenstelling tot het voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis, dat in dit geval geen sprake is van overname van een overeenkomst van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomst met een vaste rente.
Geen onjuiste implementatie ATAD 1
Het hof volgt de BV niet in zijn stelling dat dat ATAD 1 (de Europese richtlijn tegen belastingontwijking) niet op een juiste wijze is geïmplementeerd. De BV wijst hierbij op het feit dat ‘rente’ niet strikt juridisch moet worden opgevat, maar economisch. Volgens de BV heeft Nederland ATAD 1 te beperkt geïmplementeerd door de term ‘rente’ te koppelen aan een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. De BV is van mening dat uit ATAD 1 volgt dat artikel 15b Wet Vpb van toepassing moet zijn ten aanzien van renten op alle vormen van schuld, ook als er geen overeenkomst aan ten grondslag ligt.
Het hof overweegt dat in artikel ATAD 1 de definities financieringskosten’ en ‘financieringskostensurplus’ zijn opgenomen. In beide definities wordt verwezen naar het nationale recht. Alleen al om die reden is het hof van oordeel dat de conclusie dat ATAD 1 te beperkt is geïmplementeerd wat betreft de uitleg van het begrip ‘financieringskosten’ of ‘financieringskostensurplus’ geen sprake is.
Verder moet worden bedacht dat het aspect rente twee kanten kent. Enerzijds de positie van de schuldenaar en anderzijds de positie van de schuldeiser. Beide hebben een tegengesteld belang bij de interpretatie van het rente-begrip voor de toepassing van deze wettelijke bepaling. Dit brengt naar het oordeel van het hof tevens mee dat de rechter terughoudend moet zijn, bij het beoordelen of een richtlijn te beperkt of te ruim is geïmplementeerd.
Het hof verklaart daarmee het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:1081


Geef een reactie