Een man drijft samen met zijn broer en een derde een koolverwerkingsbedrijf in de vorm van een maatschap. Op 30 maart 2020 richten de broers ieder een persoonlijke holding op, waarin zij hun maatschapsaandeel inbrengen.
De holdings richten vervolgens gezamenlijk een bv op, waarin beide broers ieder vijftig procent van de aandelen houden. Daarna dragen de holdings hun aandelen in de onderneming over aan deze gezamenlijke bv. De bv richt vervolgens een nieuwe werkmaatschappij op, waarin het koolverwerkingsbedrijf wordt ondergebracht. Het bedrijfspand met ondergrond en erf, inclusief de bijbehorende leningen, blijft daarbij buiten de overdracht.
Tussen de betrokken bv’s ontstaat in 2020 geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
Verzoek om geruisloze inbreng
De ondernemer verzoekt om toepassing van de geruisloze omzettingsfaciliteit van artikel 3.65 Wet IB 2001 voor de inbreng van zijn onderneming in zijn persoonlijke holding. De inspecteur wijst dit verzoek af.
Volgens de inspecteur is sprake van een samenstel van rechtshandelingen dat gericht is op de overdracht van de onderneming aan een derde. Daarbij weegt mee dat het maatschapsaandeel op dezelfde dag eerst in de persoonlijke holding wordt ingebracht en vervolgens direct wordt doorgeschoven naar de gezamenlijke bv.
De ondernemer stelt daartegenover dat aan alle voorwaarden voor geruisloze inbreng is voldaan. Volgens hem gaat geen belastingclaim verloren, omdat hij uiteindelijk indirect nog steeds in dezelfde verhouding gerechtigd blijft tot het ondernemingsvermogen.
Oordeel van de rechtbank
Voor de rechtbank Noord-Holland is in geschil of de ondernemer gebruik kan maken van de geruisloze omzettingsfaciliteit. Daarbij staat centraal of sprake is van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming, zoals bedoeld in het Besluit geruisloze omzetting van 30 juni 2010.
De rechtbank wijst erop dat artikel 3.65 Wet IB 2001 bepaalt dat een onderneming fiscaal niet wordt geacht te zijn gestaakt wanneer deze wordt omgezet in een door een bv gedreven onderneming, mits de gerechtigdheid tot het aandelenkapitaal in wezen gelijk blijft aan de eerdere gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen.
Volgens de rechtbank maakt de inbreng in dit geval deel uit van een samenhangend geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming. Doorslaggevend is dat de onderneming op dezelfde dag via meerdere stappen is doorgeschoven naar een nieuwe werkmaatschappij.
Daarmee is volgens de rechtbank geen sprake van voortzetting van de onderneming door de entiteit waarin deze aanvankelijk is ingebracht. Om die reden kan de ondernemer geen gebruik maken van de geruisloze omzettingsfaciliteit.
Geen fiscale eenheid en geen bedrijfsfusie
De rechtbank oordeelt daarnaast dat ook niet aan de voorwaarden van het beleidsbesluit is voldaan. Vaststaat dat tussen de persoonlijke holdings en de gezamenlijke bv geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tot stand kon komen, omdat beide holdings slechts een belang van 50 procent hielden.
Ook een beroep op de bedrijfsfusiefaciliteit slaagt niet. Volgens de rechtbank is door de onmiddellijke doorinbreng in de werkmaatschappij geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt zelfstandige exploitatie. Daarnaast kwalificeert het achtergebleven bedrijfspand met stille reserves niet als een afzonderlijke tak van bedrijvigheid.
Het beroep van de ondernemer wordt daarom ongegrond verklaard.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:2151


Geef een reactie