Die vraag is begrijpelijk, maar kent geen eenvoudig antwoord. De accountant is immers geen bestuurder en draagt niet de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering. Die verantwoordelijkheid ligt bij het bestuur van de onderneming. Tegelijkertijd mag van een accountant wel worden verwacht dat hij signalen van financiële problemen herkent, bespreekt en – waar nodig – professioneel-kritisch handelt (VGBA; NV COS 200). De accountant heeft ook een zorgplicht tegenover derden, zelfs bij niet-controleplichtige klanten (zie bijv. Accountantskamer d.d. 23 januari 2017, Wtra 16/4 en 16/5). Maar er zijn meer voorbeelden.
Wanneer ontstaan de eerste waarschuwingssignalen?
Financiële problemen ontstaan zelden van de ene op de andere dag. Vaak zijn er al geruime tijd signalen zichtbaar, zoals teruglopende marges, verslechterende liquiditeitsposities, structurele verliezen, toenemende afhankelijkheid van externe financiering, betalingsachterstanden bij leveranciers of de belastingdienst en schendingen van bankconvenanten.
Voor accountants zijn dit relevante indicatoren bij de beoordeling van de continuïteit van de onderneming (RJ 170; NV COS 570.10). Hoewel dergelijke signalen niet automatisch betekenen dat de continuïteit wordt bedreigd, vereisen zij wel een kritische beoordeling van de maatregelen die het management neemt om de problemen het hoofd te bieden (NV COS 570.12-16).
Juist wanneer meerdere signalen zich tegelijkertijd voordoen, mag van de accountant worden verwacht dat hij de continuïteitsanalyse verdiept en de onderliggende aannames kritisch beoordeelt (RJ 170; NV COS 570).
Wat mag van een accountant worden verwacht?
De accountant heeft geen wettelijke taak om ondernemingen te behoeden voor financiële problemen. Wel moet hij tijdens zijn werkzaamheden alert zijn op omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de continuïteit van de onderneming (NV COS 570).
Bij controleopdrachten schrijft NV COS 570 voor dat de accountant gebeurtenissen en omstandigheden moet identificeren die significante twijfel kunnen oproepen over de continuïteit. Vervolgens dient hij de beoordeling van het management kritisch te evalueren en vast te stellen of de gehanteerde aannames redelijk zijn (NV COS 570.13-16).
Dat betekent in de praktijk dat de accountant niet zonder meer mag afgaan op optimistische prognoses of herstelplannen. Van hem wordt een professioneel-kritische instelling verwacht, waarbij hij voldoende en geschikte controle-informatie verzamelt om zijn oordeel te onderbouwen (NV COS 200.15-17). Zie bijvoorbeeld ook de waarschuwingen van Anton Dieleman op accountant.nl.
Tuchtrecht: de conclusie is niet het enige dat telt
Uit uitspraken van de Accountantskamer blijkt dat accountants niet worden afgerekend op het enkele feit dat een onderneming uiteindelijk failliet gaat. De vraag is veel vaker of de accountant de risico’s tijdig heeft onderkend, voldoende kritisch heeft gehandeld en zijn werkzaamheden adequaat heeft vastgelegd.
Terugkerende aandachtspunten in de tuchtrechtspraak zijn:
- onvoldoende onderzoek naar liquiditeitsproblemen;
- te veel vertrouwen op informatie van het management;
- onvoldoende professioneel-kritische houding;
- gebrekkige vastlegging van uitgevoerde werkzaamheden.
Een accountant hoeft niet altijd de juiste voorspelling te doen over de toekomst, maar moet wel kunnen aantonen hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en welke werkzaamheden daarvoor zijn verricht (NV COS 230.8-13; VGBA, fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid).
De WHOA als kantelpunt
Bij ondernemingen die uiteindelijk gebruikmaken van de WHOA ontstaat vaak discussie over de periode voorafgaand aan de herstructurering. Achteraf lijkt het soms evident dat de onderneming al langere tijd in financiële problemen verkeerde, maar zo’n oordeel is vaak onderhevig aan de zogenoemde hindsight bias. Overigens is het juist vanwege deze bekende bias, dat het nog verstandiger is om ‘aan de veilige kant te blijven’. Dat maakt de documentatie van eerdere risicoanalyses extra belangrijk. Welke signalen waren bekend? Welke prognoses zijn beoordeeld? Welke vragen zijn gesteld aan het management? En welke onzekerheden zijn besproken?
Voor accountants geldt dat een dossier voldoende inzicht moet geven in de uitgevoerde werkzaamheden, de verkregen controle-informatie en de belangrijkste professionele oordelen die tijdens de opdracht zijn gevormd (NV COS 230.8). Juist in een latere discussie met een curator, financier of toezichthouder kan die documentatie van doorslaggevend belang zijn.
Conclusie
De accountant is geen bestuurder en draagt niet de verantwoordelijkheid voor het ondernemingsbeleid. Wel vervult hij een belangrijke signaleringsfunctie wanneer financiële problemen zich aandienen (NV COS 570; VGBA).
Bij ondernemingen in zwaar weer ligt het risico meestal niet in het missen van één enkel alarmsignaal, maar in het onvoldoende serieus nemen van een opeenstapeling van signalen. Daarom zijn professioneel-kritische oordeelsvorming, goede communicatie met het bestuur en zorgvuldige dossiervorming essentieel (NV COS 200; NV COS 230).
De vraag of een accountant eerder aan de bel had moeten trekken, wordt immers vaak pas gesteld wanneer het al mis is gegaan. Op dat moment vormt een goed onderbouwd dossier de belangrijkste basis om aan te tonen dat risico’s tijdig zijn onderkend, besproken en beoordeeld.
Derk van Geel is advocaat/partner Insolventie & Herstructurering bij act legal.


Geef een reactie