Dat hij de bedragen naar eigen zeggen later heeft terugbetaald, doet volgens de tuchtrechter niets af aan de ernst van zijn handelen.
Uitspraak: 25/1879 Wtra AK
De AA was van 2016 tot eind 2023 onbezoldigd penningmeester van een stichting die zich inzet voor kunst en cultuur in Amersfoort. Hij beschikte zelfstandig over de bankrekening, voerde de administratie en stelde jaarlijks de financiële overzichten op. Nadat hij was afgetreden, liet het nieuwe bestuur onderzoek doen naar de administratie. Daaruit kwam volgens de stichting naar voren dat hij voor ruim 21.000 euro zonder rechtmatige grond aan de stichting had onttrokken, naast diverse andere onregelmatigheden.
Vrijwilligerswerk valt ook onder de VGBA
De accountant voerde aan dat hij uitsluitend als vrijwilliger had gehandeld en daarom geen professionele dienst als accountant had verricht. Volgens de Accountantskamer gaat dat verweer niet op. Omdat hij als penningmeester administratieve en financiële werkzaamheden verrichtte waarbij zijn accountantsdeskundigheid werd of kon worden aangewend, waren alle fundamentele beginselen uit de VGBA op zijn handelen van toepassing. Dat hij daarvoor niet werd betaald, maakt volgens de tuchtrechter geen verschil.
Ook het beroep op verjaring strandt. De verweten gedragingen dateren vanaf juni 2016 en vielen daarmee binnen de wettelijke klachttermijn. Evenmin helpt het beroep op décharge door het bestuur. Een eventuele décharge kan volgens de Accountantskamer tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet wegnemen.
Privé-uitgaven en verhulde lening
De Accountantskamer stelt vast dat de accountant erkende geld van de stichting te hebben gebruikt voor privé-uitgaven, waaronder kleding, sieraden, reizen en horeca. Alleen al in 2018 ging het om ruim 26.000 euro en in 2019 om bijna 26.500 euro. Daarnaast maakte hij in 2019 meer dan 100.000 euro over van de rekening van de stichting naar zijn privérekening, terwijl hij in hetzelfde jaar ruim 129.000 euro terugstortte.
Ook verstrekte hij zonder toestemming van het bestuur een lening van 40.000 euro aan een zakelijke relatie. De vordering verwerkte hij aan het einde van het boekjaar niet als lening, maar als bankdeposito. Daarmee heeft hij de geldlening verhuld, oordeelt de Accountantskamer. Verder was sprake van omvangrijk betalingsverkeer tussen de stichting en een ondernemersvereniging waarvan hij eveneens penningmeester was.
Volgens de tuchtrechter is daarmee het fundamentele beginsel van integriteit geschonden. De accountant is niet eerlijk en oprecht geweest en heeft bovendien het accountantsberoep in diskrediet gebracht.
Administratie voldeed niet aan wettelijke eisen
Ook de verwijten over de financiële administratie zijn gegrond. De Accountantskamer wijst erop dat een stichting op grond van artikel 2:10 BW een administratie moet voeren waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
Doordat de accountant de lening had verhuld en privé-uitgaven en diverse geldstromen niet steeds transparant in de administratie, balans en staat van baten en lasten verwerkte, voldeed de administratie daar niet aan. Daarmee schond hij volgens de Accountantskamer niet alleen het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, maar ook opnieuw het beginsel van integriteit.
Geen verwijt over weigeren van opheldering
Het vierde klachtonderdeel, dat de accountant heeft geweigerd verantwoording af te leggen, houdt geen stand. Nadat hij met de onderzoeksbevindingen was geconfronteerd, had hij eerst om de onderliggende stukken gevraagd om de conclusies te kunnen controleren. Dat verzoek acht de Accountantskamer begrijpelijk en gerechtvaardigd. De stichting had hem die stukken eerder moeten verstrekken, zodat hij inhoudelijk kon reageren. Daarom ontbreekt volgens de tuchtrechter de feitelijke grondslag voor het verwijt dat hij geen opheldering wilde geven.
In ernstige mate niet-integer
De Accountantskamer acht een doorhaling van de inschrijving voor de duur van vijf jaar passend en geboden. “Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene over een langere periode in ernstige mate niet-integer is geweest en misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als accountant en penningmeester is gesteld. Dat vertrouwen was blijkbaar van dien aard dat geen, althans onvoldoende toezicht is gehouden op het handelen en nalaten van betrokkene als penningmeester. Betrokkene heeft de bankrekening van klaagster als was het zijn privébankrekening gebruikt en publieke middelen (subsidie) die aan klaagster ter beschikking waren gesteld, (mede) voor eigen nut gebruikt.”
Zijn handelwijze heeft het accountantsberoep volgens de tuchtrechter ernstig in diskrediet gebracht, “omdat een derde erop zal en moet kunnen vertrouwen dat een accountant tevens penningmeester zich zal onthouden van gedragingen zoals in deze zaak aan de orde. Hieraan doet niet af dat betrokkene stelt alles te hebben terugbetaald wat door hem onrechtmatig aan het vermogen van klaagster is onttrokken, omdat dat – indien juist – wel de financiële gevolgen van zijn gedragingen wegneemt, maar niet het kwalijke ervan.”
De Accountantskamer weegt mee dat de voormalige accountant in een brief “zijn excuses heeft aangeboden voor zijn handelwijze, meer specifiek het doen van privébetalingen vanaf de bankrekening van klaagster. Op verzoek van betrokkene is zijn inschrijving in het accountantsregister met ingang van 1 juni 2026 doorgehaald en hij heeft desgevraagd laten weten geen bestuurlijke functies meer te vervullen. De Accountantskamer ziet daarom geen grond haar uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, nu het gevaar voor herhaling hierdoor is geweken.”


Geef een reactie