Volgens de uitspraak trad de registeraccountant in mei 2022 in dienst als tekeningsbevoegd accountant en werd hij per 1 oktober 2023 benoemd tot statutair bestuurder van Vallei Accountants Audit. Vanaf 1 januari 2024 verrichtte hij zijn werkzaamheden via een managementovereenkomst met zijn persoonlijke holding. Daarnaast verkreeg hij certificaten van aandelen. In de loop van 2025 ontstond volgens de rechtbank een vertrouwensbreuk tussen de bestuurder en de organisatie. Tijdens een bestuursvergadering in februari 2026 spraken beide partijen uit dat het onderlinge vertrouwen was verdwenen. De bestuurder meldde zich diezelfde dag ziek. Op 10 maart 2026 besloot de aandeelhouder hem als statutair bestuurder te ontslaan.
Geen terugkeer
In het kort geding stelde de voormalig bestuurder dat hij zijn werkzaamheden moest kunnen hervatten, omdat de managementovereenkomst nog niet was beëindigd. Ook wilde hij weer toegang krijgen tot de werkplek en dat Vallei Accountants medewerkers en klanten zou informeren dat hij zijn functie voortzette. De voorzieningenrechter wees die vorderingen af. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat naast de managementovereenkomst nog een arbeidsovereenkomst bestond. Bovendien was het ontslagbesluit als statutair bestuurder niet vernietigd, waardoor dat besluit vooralsnog rechtsgeldig is. Gezien de wederzijdse vertrouwensbreuk acht de rechter een terugkeer bovendien niet reëel.
Managementvergoeding blijft doorlopen
Ook de eis om de managementvergoeding door te betalen werd afgewezen. Vallei Accountants had tijdens de procedure toegezegd de vergoeding voorlopig te blijven betalen en had dat ook daadwerkelijk gedaan. Daardoor ontbrak volgens de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij de vordering. Daarnaast wilde de voormalig bestuurder voorkomen dat Vallei Accountants intern en extern over zijn ontslag zou communiceren. Ook dat verzoek strandde. Volgens de rechtbank was het ontslag inmiddels verwerkt in het Handelsregister en had de bestuurder niet aannemelijk gemaakt dat het ontslagbesluit vernietigbaar was.
Concurrentiebeding
Ten slotte vroeg de bestuurder om schorsing van het concurrentie- en relatiebeding. Ook daarin kreeg hij geen gelijk. Volgens de rechtbank had hij onvoldoende onderbouwd waarom zijn belang zwaarder woog dan het belang van de organisatie bij bescherming van haar bedrijfsdebiet. Bovendien was een deel van de afspraken gemaakt met een rechtspersoon die geen partij was in de procedure.
De voorzieningenrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde de voormalig bestuurder tot betaling van de proceskosten van € 4.449.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie