Een in 2013 opgerichte Nederlandse BV functioneert als financieringslichaam binnen een internationale groep vennootschappen. De BV verantwoordt haar fiscale winst in functionele valuta, de Amerikaanse dollar. Een inwoner van Kazachstan is de uiteindelijk aandeelhouder van de groep. In 2018 emigreert de BV naar Hongarije.
De BV sluit een lening van $ 210.776.596 af bij een gelieerde vennootschap en leent dit via groepsvennootschappen door aan een in Kazachstan gevestigde werkmaatschappij. Met de lening wordt een plaatselijk winkelcentrum ontwikkelt. De lening wordt afgesloten tegen een (onzakelijk) lage, interbancaire Libor rente. Na een aflossing van $ 3.069.270 neemt de BV de vordering tegen de nominale waarde van $ 207.707.327 op haar balans op.
Herstructurering
Na een herstructurering binnen de groep vennootschappen wordt de schuld van de BV omgezet in aandelenkapitaal. In december 2016 wordt een bedrijf, gevestigd in Kazachstan, de enig aandeelhouder van de BV. De BV verkoopt daarop haar aandelen in de werkmaatschappij en houdt daarna geen (indirect) belang meer.
In haar aangifte Vpb voor het jaar 2017 geeft de BV het afwaarderingsverlies aan ontstaan bij de vordering. Bij het opleggen van de aanslagen Vpb over 2017 en 2018 corrigeert de inspecteur de afwaarderingsverliezen. Terecht volgens de inspecteur, omdat de BV bij de verkrijging van de vordering in 2016 de vordering tegen de waarde in het economisch verkeer op de balans had moeten zetten. De inspecteur stelt dat die waarde destijds door de afgesproken onzakelijke rentevoorwaarden lager was dan de nominale waarde van de vordering. Deze foutieve waardering dient volgens hem gecorrigeerd worden in het laatst openstaande boekjaar, te weten 2017.
De BV stelt zich voor de rechtbank Noord-Holland op het standpunt dat uiterlijk op het moment van emigratie in 2018 de vordering op de waarde in het economisch verkeer gewaardeerd dient te worden. Nu het besluit tot emigratie in 2017 is genomen dient volgens de BV primair in het boekjaar 2017 het afwaarderingsverlies genomen te worden. Subsidiair is de BV van mening dat in boekjaar 2018 bij het toepassen van artikel 15c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het afwaarderingsverlies genomen dient te worden.
Geen sprake van balansfout
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de nominale waarde van de vordering wordt veroorzaakt door de te lage rente. De rechtbank kan de inspecteur niet volgen in zijn stelling dat de vordering in 2016 voor de onjuiste waarde op de balans is opgenomen en dat sprake is van een balansfout in de zin van de foutenleer. En dat die fout op de beginbalans in 2017, zijnde het oudste openstaande jaar, moet worden hersteld.
Over de stelling van de inspecteur dat de vordering hoe dan ook in boekjaar 2017 voor de zakelijke waarde (de wev) op de balans dient te worden geactiveerd en de afwaardering niet ten laste van de winst kan worden gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de foutenleer zich hier niet voor leent. Het activeren van een ten dele onzakelijke betalingsverplichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet met toepassing van de foutenleer worden hersteld (Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:673).
Nu is vastgesteld dat de foutenleer niet kan worden toegepast en de vordering terecht voor de nominale waarde is opgenomen, is het nog de vraag of de vordering in boekjaar 2017 ten laste van de fiscale winst kan worden afgewaardeerd. De BV stelt zich op het standpunt dat de vordering reeds in 2017 kan worden afgewaardeerd, omdat in dat jaar het besluit tot emigratie is genomen; de inspecteur stelt dat dit niet kan.
Artikel 15c, eerste lid Wet Vpb
De rechtbank kan de BV niet volgen in haar standpunt dat artikel 15c, eerste lid, van de Wet Vpb, al in 2017 van toepassing is. In dat artikel is bepaald dat als een belastingplichtige niet meer wordt aangemerkt als inwoner van Nederland, de bestanddelen van zijn vermogen waarvan de voordelen zodoende niet meer begrepen worden in de belastbare winst, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van het hiervoor bedoelde inwonerschap geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.
De rechtbank overweegt dat de wettekst van artikel 15c, eerste lid, van de Wet Vpb het moment van afrekenen aanwijst, namelijk het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van het inwonerschap. Het inwonerschap eindigt niet met het nemen van het besluit tot emigratie.
Op grond van goedkoopmansgebruik is in boekjaar 2017 evenmin aanleiding voor afwaardering van de vordering omdat het besluit tot emigratie geen gevolgen heeft voor de waardeverandering van de vordering. Het debiteurenrisico op de vordering na emigratie is niet gewijzigd en er is geen sprake van feiten en omstandigheden die in 2017 tot een (aanzienlijke) waardeverandering van de vordering leiden. Omdat de vordering in 2017 niet aan waardeverandering onderhevig is, is het, naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking nemen van een afwaarderingsverlies in dat jaar niet toegestaan.
Fictieve vervreemding leidt niet tot verarming BV
Vervolgens is het de vraag of toepassing van artikel 15c, eerste lid, van de wet Vpb in boekjaar 2018 wel van toepassing is. Volgens de inspecteur kan geen verlies in aanmerking worden genomen omdat het verschil tussen de boekwaarde en de wev zijn oorzaak vindt in de onzakelijkheid van de overeengekomen rente. Gelet op de onzakelijke rente is sprake van een onttrekking onmiddellijk voorafgaand aan de emigratie.
De rechtbank is van oordeel dat de tekst van het bepaalde in artikel 15c, eerste lid, van de Wet Vpb en de wetsgeschiedenis van het artikel geen belemmering zijn om het verschil tussen de boekwaarde en de wev van de vordering voorafgaande aan de emigratie als verlies in aanmerking te nemen bij het bepalen van de fiscale winst. Er is sprake van een negatieve stille reserve, ongeacht of deze stille reserve zijn oorzaak vindt in onzakelijk handelen.
Wat betreft de onttrekking overweegt de rechtbank dat een onttrekking in aanmerking wordt genomen op het moment waarop als gevolg van onzakelijk handelen sprake is van een vermogensverschuiving waarbij de desbetreffende gelden het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van de emigratie van de BV in 2018 geen sprake is van een onttrekking. De op grond van artikel 15c, eerste lid, van de Wet Vpb in aanmerking te nemen fictieve vervreemding leidt niet tot een verarming van de BV.
Samenvattend dient, volgens het oordeel van de rechtbank, het beroep dat betrekking heeft op het boekjaar 2017 ongegrond te worden verklaard en dient het beroep dat ziet op het boekjaar 2018 gegrond te worden verklaard.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2024:14224


Geef een reactie