Een BV die is opgericht in 1997 houdt 55% van de aandelen van een administratiekantoor. De directeur en enig aandeelhouder verricht via de BV werkzaamheden voor het administratiekantoor. De overige aandelen van het administratiekantoor worden (indirect) gehouden door drie werknemers. Een van de drie werknemers houdt 25% van die aandelen.
In de loonaangiften van de BV voor de jaren 2021, 2022 en 2023 is een loon opgenomen voor de dga van respectievelijk € 80.500,- € 81.000,- en € 81.000,-. De inspecteur kondigt in februari 2023 een boekenonderzoek aan bij de BV en het administratiekantoor naar de aanvaardbaarheid van onder andere de aangiften loonheffingen voor de jaren 2021, 2022 en 2023. De inspecteur komt tot de conclusie dat het gebruikelijk loon moet worden verhoogd naar € 93.838,- (2021), € 96.425,- (2022) en € 96.246,- (2023), gelijk aan het loon van de best verdienende werknemer bij het administratiekantoor.
Hoogste loon is de basis
Daarom legt de inspecteur naheffingsaanslagen loonbelasting op met verzuimboetes. De BV gaat, nadat de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen ongegrond zijn verklaard door de inspecteur, in beroep bij de rechtbank Den Haag. De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, omdat het loon is verhoogd naar het hoogste loon van de werknemer in dienst van een verbonden lichaam. Hij verwijst daarbij naar artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van dit artikel het loon van een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, ten minste wordt gesteld op het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam of met het lichaam verbonden lichamen. De inhoudingsplichtige moet aannemelijk maken dat het hoogste bedrag hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in de jaren 2021, 2022 en 2023 in beginsel terecht uitgegaan van het loon van de in die jaren meest verdienende werknemer bij het administratiekantoor. Eisen aan functie- en beloningsverhoudingen van een zodanige werknemer stelt de Wet LB 1964 niet. De rechtbank oordeelt dat de BV er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het hoogste bedrag hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
Beroep op doelmatigheidsmarge slaagt niet
De BV had ter onderbouwing van haar standpunt nog verwezen naar een door haar uitgevoerd salarisonderzoek en gesteld dat een algemeen directeur (van een administratiekantoor) als meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden beschouwd en een loon geniet tussen de € 5.500,- en € 7.000,- per maand. Volgens de BV past een loon van meer dan € 6.000,- per maand (€ 72.000,- per jaar), gelet op de beperkte commerciële taken en de vooral op interne bedrijfsvoering gerichte werkzaamheden zeker niet.
Het door de BV uitbetaalde jaarloon valt binnen de hiervoor bedoelde bandbreedte, zodat volgens de BV wordt voldaan aan artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB 1964. Volgens de BV geldt dit met name voor de jaren 2021 en 2022 vanwege de doelmatigheidsmarge van 25%. De rechtbank is van oordeel dat de stelling, dat zelfs als het (hogere) loon van de best verdienende werknemer bij het administratiekantoor als uitgangspunt zou worden genomen, de BV voor de jaren 2021 en 2022 voldoet aan artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB 1964, vanwege de doelmatigheidsmarge, niet op gaat. Het loon mag immers niet worden gebruikt om het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking te bepalen, omdat de werknemer van het administratiekantoor een aanmerkelijk belang heeft in het administratiekantoor (artikel 12a,vijfde (in 2021 en 2022: zevende) lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964).
Bovendien heeft de BV, naar het oordeel van de rechtbank, te weinig concreet onderbouwd wat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking zou zijn, mede in het licht van wat de BV zelf heeft verklaard over de jarenlange werkervaring (van 30 jaar), het aantal werkuren (zo’n 60 uur per week) en de rol die de dga vervult binnen het administratiekantoor. De dga is namelijk samen met de werknemer van het administratiekantoor eindverantwoordelijk voor het personeelsbeleid en alle andere personele zaken, zoals het opstellen van de begroting en bewaken van de facturatie, het beheren van 25% van de klantenportefeuille en het onderhouden van contact met klanten en leveranciers.
Jaarloon is relevant
Verder is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur er terecht op heeft gewezen dat de BV enkel op bruto maandlonen heeft gewezen, terwijl het voor de toepassing van artikel 12a van de Wet LB 1964 om jaarloon gaat, waarvoor meer looncomponenten van belang zijn (zoals vakantiegeld of een ter beschikking gestelde auto).
De rechtbank oordeelt dat de door de inspecteur opgelegde verzuimboetes van 10% voor ieder belastingjaar van de nog te betalen belasting passend en geboden zijn. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van een belanghebbende. Alleen in geval van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.
De beroepen zijn ongegrond.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:27512


Geef een reactie