
De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat een autohandelaar met het tussenschuiven van een Estse vennootschap kon of had moeten weten dat de levering aan die vennootschap een binnenlandse levering was en het nultarief niet van toepassing was, heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de constructie fiscaalrechtelijk niet eenvoudig te duiden was en de autohandelaar voor de oprichting van de Estse vennootschap advies van een externe belastingadviseur heeft ingewonnen. Daarmee is geen sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Nultarief geweigerd
De fiscus stelde de autohandelaar als bestuurder aansprakelijk voor de aansprakelijkheidsschulden van twee van zijn Nederlandse vennootschappen, die samen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormden. Aan de fiscale eenheid was eind 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting van ruim € 2 miljoen opgelegd over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2010. Daaraan lag een boekenonderzoek ten grondslag op grond waarvan de fiscus het nultarief voor de intracommunautaire leveringen van auto’s door een van de vennootschappen, omdat de fiscale eenheid wist of had moeten weten dat zij deelnam aan een keten waarin btw-fraude werd gepleegd.
Belastingdienst: opzettelijk niet voldoen van verschuldigde omzetbelasting

Autohandelaar geen omzetbelastingspecialist
De rechtbank is het daar niet mee eens. De rechtbank stelt voorop dat hoewel de ondernemer een ervaren autohandelaar is en veel ervaring heeft met intracommunautaire leveringen, hij geen omzetbelastingspecialist is. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de procedure over de naheffingsaanslag omzetbelasting geoordeeld dat tot 1 januari 2018 de auto’s zijn geleverd aan een ondernemer in Estland en dat in dat kader terecht het nultarief is toegepast. Vanaf die datum is in de keten de Estse vennootschap tussengeschoven. De auto’s zijn vanaf 1 januari 2018 geleverd aan die vennootschap, die vervolgens de auto’s weer heeft geleverd aan een ondernemer in Estland.
De rechtbank is van oordeel dat de fiscus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autohandelaar met het tussenschuiven van de Estse vennootschap kon of had moeten weten dat de levering aan die vennootschap een binnenlandse levering was en het nultarief niet van toepassing was. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat, gelet op de procedure inzake de naheffingsaanslag, dit fiscaalrechtelijk niet eenvoudig te duiden was. De autohandelaar heeft voorts onweersproken gesteld dat hij voor de oprichting van de Estse vennootschap advies van een externe belastingadviseur heeft ingewonnen en dat de medebestuurder van die vennootschap de administratie in Estland regelde. Dat de betalingen van de Estse aan de Nederlandse vennootschap door middel van rekening-courantverhouding werden verrekend, levert naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer onbehoorlijk bestuur op. Voorts heeft de fiscus niet aannemelijk gemaakt dat de administratie dusdanig onvolledig of onzorgvuldig was dat dit zou moeten leiden tot kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de beschikking aansprakelijkheidsstelling te worden vernietigd, oordeelt de rechtbank.


Geef een reactie