De managementvergoeding en de stamrechtuitkering zijn afzonderlijke betalingen, afkomstig van verschillende vennootschappen en gebaseerd op verschillende rechtsgronden, oordeelt de rechtbank Den Haag.
Feiten
Een dga is enig aandeelhouder en bestuurder van een holding BV én een pensioen BV. Hij is geboren in 1951 en ontvangt vanaf 1 januari 2017 een AOW-uitkering. In de jaren 2018 en 2019 verricht de dga werkzaamheden voor de holding BV waarvoor hij een managementvergoeding ontvangt. De vergoeding geeft hij aan als loon in zijn aangiften IB/PVV. Hij geeft geen inkomen aan uit de pensioen BV. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 zijn opgelegd conform de ingediende aangiften.
De inspecteur wordt in 2022 door zijn collega inspecteur vennootschapsbelasting op de hoogte gesteld van het feit dat het bij de pensioen BV ondergebrachte stamrecht in 2017 in had moeten gaan. In een mail deelt de inspecteur de dga mee dat de uitkeringen niet zijn ingegaan en er daardoor niet is voldaan aan de voorwaarden van het (toenmalige) artikel 11 Wet LB. Op grond van artikel 19b LB leidt het niet voldoen aan de voorwaarden tot heffing ineens over de volledige waarde van de aanspraken. In dit geval leidt dat tot een navordering IB 2017 over de waarde van de voorziening per 31-12-2017 van € 414.778,-.
Voorstel bij de navordering
Om de dga tegemoet te komen doet de inspecteur de dga een voorstel om een en ander te herstellen naar de situatie zoals die had moeten zijn. Als de dga niet aan dit herstel wil meewerken, kan de inspecteur niet anders dan de navordering 2017 met revisierente op te leggen. De opties die de inspecteur de dga biedt zijn: optie1, navordering IB 2017 over € 414.778,- en € 82.955,- revisierente optie 2, navorderen van IB 2017 en latere jaren naar een levenslange uitkering van € 22.894,- en een navordering Vpb 2017 i.v.m. vrijval van € 107.525,-.
De dga stemt voor die tweede optie maar verschilt van inzicht over de invulling van het herstel. De dga stelt voor dat het managementfee voor 2018, 2019 en 2020 wordt verlaagd met € 22.894,-. Hierdoor verandert er naar de mening van de dga , behalve de vrijval in de pensioen BV in 2017, bij de holding BV en in de IB relatief weinig.
De inspecteur probeert de dga duidelijk te maken dat hij de pensioen BV los moet zien van de holding BV. De inspecteur legt uit dat de pensioen BV niets te maken heeft met de beloning voor de werkzaamheden voor de holding en de holding heeft niet te maken met het recht op pensioen. De inspecteur geeft aan dat de dga de ene uitkering niet kan uitwisselen voor de andere uitkering.
Daarom informeert de inspecteur de dga over zijn voornemen om voor de jaren 2018 en 2019 navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen waarbij voor beide jaren een correctie lijfrente-uitkering wordt aangekondigd. De dga maakt bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en als de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslagen handhaaft gaat de dga in beroep bij de rechtbank Den Haag.
Managementvergoeding met terugwerkende kracht verlagen
Voor de rechtbank stelt de dga dat de navorderingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. De overeengekomen regeling waarbij vanaf 2017 jaarlijks een stamrechtuitkering van € 22.894,- in aanmerking wordt genomen, hoeft volgens hem niet te resulteren in verhoging van het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2018 en 2019. Hij stelt dat het herstel eruit kan bestaan dat een deel van de door hem in die jaren ontvangen managementvergoeding van Holding BV wordt vervangen door de stamrechtuitkering van € 22.984.,-. De dga wil dat bewerkstelligen door € 22.894,- per jaar als teveel ontvangen managementvergoeding terug te betalen aan de holding BV die dit bedrag vervolgens aan de pensioen BV leent en dat die het bedrag als stamrechtuitkering moet uitkeren aan de dga.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door de dga voorgestane herstelmethode niet mogelijk. Het voorstel van de dga vindt geen steun in de feiten noch in de wet. De dga wil met terugwerkende kracht de in 2018 en 2019 van de holding BV ontvangen managementvergoeding verlagen. Daar bestaat echter geen aanleiding voor en dat die managementvergoeding te hoog was, volgt nergens uit. De door de dga van de holding BV ontvangen managementvergoeding staat, zoals de inspecteur al had aangegeven, los van de stamrechtuitkering die hij van de pensioen BV had moeten ontvangen.
Afzonderlijke betalingen
De managementvergoeding van de holding BV en de stamrechtuitkering van de pensioen BV zijn afzonderlijke betalingen, afkomstig van verschillende vennootschappen en gebaseerd op verschillende rechtsgronden. Rechten en plichten van verschillende rechtspersonen kunnen niet willekeurig worden uitgewisseld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in zijn correspondentie aan de dga vóór de oplegging van de navorderingsaanslagen al meermaals uitgelegd dat de keuze voor optie 2 niet zonder navordering inkomstenbelasting kan.
Het alternatief was een heffing ineens over de hele stamrechtaanspraak in 2017, waar de dga uitdrukkelijk niet voor heeft gekozen. De stelling van de dga dat er geen dekking is voor de stamrechtuitkeringen over 2018 en 2019, wat de inspecteur betwist, doet voor de juistheid van de navorderingsaanslagen niet ter zake. De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd voor de niet uitgekeerde stamrechtuitkeringen.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:10858


Geef een reactie