Dat blijkt uit het recent gepubliceerde vonnis in de zaak die het fraudeslachtoffer aanspande tegen de bank. Het fraudeslachtoffer werd in de periode van 18 januari 2022 tot en met 15 februari 2023 voor een bedrag van € 51.500 opgelicht. Dat bedrag werd weggesluisd via een Nederlandse bankrekening bij Bunq. Op 11 maart 2023 deed het slachtoffer aangifte van cybercrime bij de politie.
Vervolgens vroeg de advocaat van het slachtoffer Bunq om gegevens van de rekeninghouder en bankafschriften. Bunq gaf de naam, het adres en later de geboortedatum van de rekeninghouder door, maar weigerde de bankafschriften. Later werd alsnog een transactieoverzicht verstrekt, waaruit bleek dat het geld naar een Poolse bankrekening op naam van de rekeninghouder was overgemaakt en in Polen voor uitgaven werd gebruikt.
Bij vonnis van 17 juli 2024 werd de rekeninghouder bij verstek veroordeeld om het bedrag van € 51.500 plus rente en kosten aan het slachtoffer te betalen. Het vonnis werd in Polen ter executie aangeboden, zodat beslag gelegd kon worden op de Poolse bankrekening.
De Poolse deurwaarder kon het beslag echter niet uitvoeren, omdat volgens Pools recht aanvullende identificatiegegevens (zoals PESEL-, NIP- of REGON-nummer) vereist zijn. De Poolse advocaat van het slachtoffer vroeg meermaals om deze gegevens. Bunq weigerde deze echter te verstrekken met een beroep op wettelijke beperkingen. Uiteindelijk gaf de Poolse advocaat aan dat zonder het persoonlijke identificatienummer de executie niet kon doorgaan, omdat alleen geboortedatum onvoldoende is voor beslag.
Kort geding
Het fraudeslachtoffer vorderde daarna in een kort geding dat Bunq wordt verplicht een digitale kopie van het legitimatiebewijs en het fiscaal/persoonsnummer van de rekeninghouder te verstrekken. Dit moet gebeuren op straffe van een dwangsom. Ook vroeg hij veroordeling van Bunq in de proceskosten. Volgens het slachtoffer is de informatie noodzakelijk om in Polen het vonnis van juli 2024 te kunnen executeren, omdat de Poolse bank beslag weigert zonder die gegevens. Bunq beschikt hierover vanwege haar wettelijke identificatieplicht, en weigering belemmert volgens het slachtoffer de tenuitvoerlegging van zijn vonnis.
Bunq voerde verweer en stelde dat het de gevraagde gegevens wel heeft, maar dat zij deze niet mag en niet hoeft te verstrekken. Volgens Bunq is de door het slachtoffer gekozen juridische grondslag onjuist, omdat de betreffende procedures niet van toepassing zijn of niet meer kunnen worden ingezet na afronding van de hoofdzaak. Daarnaast stelt Bunq dat de Poolse deurwaarder voldoende identificerende gegevens heeft (naam, adres, geboortedatum) en dat het slachtoffer eerst de Poolse bank had moeten aanspreken op haar standpunt. Verstrekking van een kopie identiteitsbewijs zou bovendien in strijd zijn met de AVG en de Wwft. Bunq betwistte daarom onrechtmatig te hebben gehandeld en verzocht om afwijzing van de vordering, met veroordeling van het slachtoffer in de proceskosten.
Oordeel
Het fraudeslachtoffer heeft volgens de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij de gevorderde verstrekking van gegevens, nu de executie van het vonnis van 17 juli 2024 stil ligt en het risico bestaat dat executie in Polen door tijdverloop feitelijk onmogelijk wordt, waardoor de kans op tenuitvoerlegging van het vonnis verloren gaat. Van het fraudeslachtoffer kan niet worden gevergd dat hij de uitslag van een bodemprocedure afwacht.
Volgens Bunq kan artikel 195a jo. 196 en 197 Rv niet de grondslag voor de vordering van het fraudeslachtoffer vormen, nu de fraudeur in het kort geding niet is gedagvaard en bovendien de procedure tussen het fraudeslachtoffer en de fraudeur reeds is afgerond. Wat daar ook van zij, in het midden kan blijven of de vordering van het fraudeslachtoffer toewijsbaar is op grond van de door hem gestelde primaire grondslag (artikel 195a jo. 196 en 197 Rv). Voorshands is immers voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering van het fraudeslachtoffer zal toewijzen op grond van de door hem gestelde subsidiaire grondslag artikel 6:162 BW. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Bunq onrechtmatig handelt jegens het fraudeslachtoffer door te weigeren de gevraagde gegevens te verstrekken, zo luidt het oordeel. Daartoe is het volgende redengevend.
Door geen medewerking te verlenen aan het verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn om een civiele veroordeling (het vonnis van 17 juli 2024) ten uitvoer te kunnen leggen, handelt Bunq in strijd met de door haar in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid c.q. bijzondere zorgplicht jegens derden. Deze onrechtmatige gedraging is toerekenbaar aan Bunq, omdat zij bewust nalaat een bijdrage te leveren aan het verhaal van de door het fraudeslachtoffer geleden schade, terwijl zij weet dat zij over informatie beschikt die kennelijk noodzakelijk is om het vonnis in Polen ten uitvoer te kunnen leggen. Door de noodzakelijke gegevens niet te verstrekken is het fraudeslachtoffer niet in staat om het vonnis in Polen ten uitvoer te leggen. Daardoor lijdt hij schade die erin bestaat dat hij zijn toegewezen vordering niet kan verhalen en mogelijk extra kosten zal moeten maken door extra procedures te voeren. Die schade kan geheel of gedeeltelijk worden voorkomen indien de vordering in dit kort geding zal worden toegewezen, omdat het fraudeslachtoffer de executie dan kan vervolgen. Er is sprake van een causaal verband tussen de weigering van Bunq en de schade van het fraudeslachtoffer. De geschonden norm strekt ten slotte ter bescherming van de belangen van het fraudeslachtoffer. De maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm waar het hier om gaat dient immers zoveel mogelijk te waarborgen dat slachtoffers van fraude de hen toegewezen schadevergoeding ook kunnen verhalen op degene die de schade veroorzaakt heeft.
Het voorgaande zou slechts anders zijn indien Bunq zich met succes kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Voor zover Bunq meent dat die rechtvaardigingsgrond erin bestaat dat verstrekking van de gevraagde gegevens in strijd is met de AVG wordt zij daarin niet gevolgd. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
De voorzieningenrechter veroordeelde Bunq om binnen twee werkdagen na de datum van het vonnis een digitale kopie van het legitimatiebewijs en het fiscaal en/of persoonsnummer van de rekeninghouder van het rekeningnummer aan het fraudeslachtoffer te verstrekken.


Geef een reactie