De rechter oordeelt echter dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van fraude bij de ondernemer zelf blijft liggen. Het controleren van betalingen naar de juiste rekeningnummers was geen onderdeel van de overeenkomst van opdracht.
Facturen boekhoudkantoor
Het conflict draait om een langdurige samenwerking tussen een grillroom-eigenaar en een boekhoudkantoor dat via verschillende vennootschappen opereerde. De ondernemer liet zijn volledige administratie, de loonverwerking, de jaarrekeningen en de fiscale aangiften verzorgen door een vaste boekhouder die vanaf het begin zijn aanspreekpunt was. Deze werkzaamheden werden aanvankelijk uitgevoerd via een werkmaatschappij, later via een andere vennootschap, en uiteindelijk door een opvolgend boekhoudkantoor. Dat laatste, bestuurd door een andere directeur, stelt rechtsopvolger te zijn van de eerdere entiteiten en daarom gerechtigd de openstaande facturen te innen.
Het boekhoudkantoor vorderde bij de kantonrechter een bedrag van 25.000 euro aan achterstallige betalingen. Het gaat om facturen die zien op werkzaamheden in de periode 2017 tot en met 2020. Een groot deel daarvan werd destijds door de eerdere vennootschappen verstuurd en bleef onbetaald, terwijl de ondernemer in een gesprek in 2022 nog had toegezegd ze alsnog te voldoen. Alleen de eindafrekening voor het boekjaar 2019, die in april 2023 werd verzonden, werd uitdrukkelijk betwist. Voor het overige, zo stelt het boekhoudkantoor, zijn de facturen nooit eerder bestreden.
Verweer ondernemer
De grillroom-eigenaar verweert zich bij de kantonrechterechter op verschillende punten. Volgens hem is het de vraag of het huidige boekhoudkantoor wel rechthebbende is, omdat de overgang van de vorderingen van de eerdere vennootschappen naar de opvolger volgens hem niet vaststaat. Bovendien meent hij dat de samenwerking inmiddels in volle omvang is afgewikkeld en dat partijen finale kwijting zijn overeengekomen. Daar komt bij dat de ondernemer de facturen onredelijk en buiten verhouding vindt. Hij betaalde maandelijks een voorschot van driehonderd euro, maar kreeg daarnaast forse bedragen gepresenteerd voor werkzaamheden die volgens hem van beperkte omvang waren en bovendien vaak niet nader waren gespecificeerd.
Fraude
De kern van het verweer ligt echter in de rol van de boekhouder bij een omvangrijke fraude die binnen de onderneming zou hebben plaatsgevonden. Een medewerkster van de grillroom-eigenaar bleek tussen 2017 en medio 2020 bijna 115.000 euro te hebben onttrokken door honderden betalingen te vermommen als reguliere overboekingen naar energiemaatschappijen en andere derden. Deze bedragen werden echter overgemaakt naar rekeningen van drie natuurlijke personen. De boekhouder verwerkte deze betalingen in de administratie zonder zich te vergewissen van onderliggende facturen en zonder ze als vraagpost aan te merken. Daardoor bleef de fraude jarenlang onopgemerkt, voerde de ondernemer in de rechtszaal aan. Volgens hem had een zorgvuldig handelend boekhouder de fraude veel eerder moeten signaleren, waarmee de schade aanzienlijk had kunnen worden beperkt en bovendien de btw over die jaren niet verloren zou zijn gegaan.
Verrekening
Mocht de rechter van oordeel zijn dat het boekhoudkantoor nog iets te vorderen heeft, dan stelt de ondernemer zich op het standpunt dat dit moet worden verrekend met de schade die hij zelf heeft geleden. Die schade bestaat niet alleen uit de verduisterde gelden, maar ook uit opgelegde boetes van de Belastingdienst en de kosten die hij inmiddels heeft moeten maken om de administratie te herstellen.
In dat kader stelt de ondernemer een voorwaardelijke tegenvordering in. Als de rechter beslist dat hij nog een bedrag aan het kantoor verschuldigd is, verlangt hij dat het kantoor op zijn beurt 25.000 euro aan hem betaalt. Volgens hem heeft de boekhouder de zorgplicht uit artikel 7:401 BW geschonden door de administratie niet met de vereiste nauwgezetheid te voeren. De totale schade wordt voorlopig geraamd op ruim 118.000 euro, maar omdat een deel nog niet volledig is onderzocht, beperkt hij zich in deze procedure tot hetzelfde bedrag als dat van de vordering van het kantoor, zonder afstand te doen van het meerdere.
Oordeel: rechtsopvolging boekhoudkantoor
De kantonrechter oordeelt eerst over de ontvankelijkheid van het boekhoudkantoor. De grillroom-ondernemer betwist dat dit kantoor de rechtsopvolger is van de eerdere vennootschappen. Deze stelling houdt geen stand. Het kantoor legt een overeenkomst uit 2020 over waaruit duidelijk blijkt dat het de openstaande debiteuren en crediteuren van de voorgangers heeft overgenomen. Daarmee is de rechtsopvolging gegeven. Ook het beroep van de ondernemer op een vaststellingsovereenkomst met een andere vennootschap in 2023 biedt hem geen soelaas. Het boekhoudkantoor is bij die overeenkomst geen partij, zodat geen sprake is van finale kwijting die ook haar raakt.
Vervolgens buigt de kantonrechter zich over de inhoud van de vordering. De kern betreft een reeks facturen die tussen 2017 en 2020 zijn verzonden. Uit correspondentie blijkt dat de ondernemer in 2022 nog uitdrukkelijk toezegt deze facturen te voldoen, maar de afgesproken betalingsregeling niet is nagekomen. Het feit dat hij pas medio 2022 begint te klagen over de hoogte van de declaraties, doet hem de das om: klachten over de redelijkheid en specificatie komen volgens de rechter te laat. De facturen zijn bovendien steeds duidelijk qua omvang en de ondernemer is zich bij ontvangst meteen van de hoogte bewust. Daarom wijst de rechter betaling van deze facturen toe, inclusief rente.
Ook over de eindafrekening voor 2019, die in 2023 is opgemaakt, vangt de ondernemer bot. Hij voert aan dat de rekening te laat is opgesteld en ontoereikend is gespecificeerd, maar onderbouwt niet concreet wat er precies mis mee is. De kantonrechter oordeelt dat de summiere specificatie in dit geval toereikend is en dat de ondernemer er rekening mee had moeten houden dat er nog een slotafrekening voor dat boekjaar zou volgen. Ook deze factuur moet daarom worden betaald.
Fraude en zorgplicht
Ook het betoog van de ondernemer dat het boekhoudkantoor wegens wanprestatie aansprakelijk is voor de geleden schade die de voormalige werkneemster heeft aangericht door gelden te onttrekken vindt geen gehoor. Het verweer van het boekhoudkantoor op dat punt slaagt:
“[B.V. 1] dient conform artikel 7:401 BW als opdrachtnemer bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. [V.O.F. & vennoten] stelt dat [B.V. 1] in dat kader had moeten opmerken dat betalingen aan onder andere de Belastingdienst, energie- en telecommaatschappijen werden overgemaakt naar onjuiste rekeningnummers. Daardoor zijn in 3,5 jaar tijd 483 onterechte betalingen verricht. [V.O.F. & vennoten] stelt dat aan deze 483 betalingen geen facturen ten grondslag lagen en dat deze boekingen onterecht niet als ‘vraagpost’ zijn ingeboekt terwijl er ook geen facturen zijn opgevraagd bij [V.O.F. & vennoten] . [B.V. 1] is daardoor tekortgeschoten in haar zorgplicht. [B.V. 1] heeft de stelling van [V.O.F. & vennoten] gemotiveerd betwist. Zij voert aan dat er bij een aantal van deze boekingen wel facturen zaten, zij het dat deze frauduleus waren opgemaakt door de medewerkster van [V.O.F. & vennoten] . Volgens [B.V. 1] is het niet haar taak om te controleren of een factuurnummer dat op een factuur staat vermeld al dan niet toebehoort aan de facturerende partij. Verder voert zij aan dat, indien er bij een betaling geen factuur zat, er een vraagpost voor werd gemaakt. Indien er uiteindelijk geen duidelijkheid en geen factuur kwam, werd de betaling geboekt als privé-uitgave. Tot slot voert [B.V. 1] aan dat [V.O.F. & vennoten] nalaat haar stelling te onderbouwen.”
Het betoog dat de boekhouder ernstig tekortschiet in de nakoming van diens zorgplicht wordt dan ook onvoldoende onderbouwd geacht:
“[V.O.F. & vennoten] heeft ter onderbouwing van haar stelling slechts enkele rekeningafschriften overgelegd. Hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat [B.V. 1] haar zorgplicht heeft geschonden. Voorts heeft [V.O.F. & vennoten] onvoldoende onderbouwd dat het controleren van betalingen naar de juiste rekeningnummers onderdeel was van de overeenkomst van opdracht met [B.V. 1] . Voor het verrichten van de betalingen heeft [V.O.F. & vennoten] immers een eigen medewerkster aangetrokken. Het is betreurenswaardig dat die medewerkster gelden van [V.O.F. & vennoten] heeft verduisterd, maar gelet op het voorgaande kan niet de conclusie worden getrokken dat [B.V. 1] is tekortgeschoten in haar zorgplicht. [B.V. 1] kan dan ook niet worden aangesproken voor het door de medewerkster onttrokken bedrag van zo’n € 115.000,00, zodat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.”
Ook de gestelde schade wegens herstelwerkzaamheden voor de aangifte inkomstenbelasting 2018 kan niet worden aangemerkt als schade waarvoor het boekhoudkantoor aansprakelijk is. Het enkele feit dat een andere adviseur corrigerend werk verricht, betekent niet dat daarmee een fout van het boekhoudkantoor vaststaat.
De vordering van het boekhoudkantoor wordt dan ook volledig toegewezen en de reconventionele eis van de ondernemer wordt afgewezen. De vof en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 25.000 euro, vermeerderd met wettelijke rente vanaf oktober 2023, en de proceskosten.


Geef een reactie