Waar gaat deze zaak over?
De werknemer is per 1 maart 2021 bij de werkgever in Nederland in dienst getreden als software engineer. de werknemer is na zijn vakantie in juni 2024 in Roemenië gebleven om voor zijn zieke moeder te zorgen. Na een periode van onbetaald verlof verzocht de werkgever de werknemer om weer naar Nederland te komen, maar de werknemer wil vanuit Roemenië voor de werkgever werken. Omdat de werknemer niet naar Nederland wilde komen om te werken, ontsloeg de werkgever hem op 5 februari 2025 op staande voet.
De werknemer is het hier niet mee eens en verzoekt om vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en loon. Daarnaast verzoekt hij verschillende vergoedingen.
De werkgever verzoekt terugbetaling van loon en als het ontslag op staande voet geen stand houdt ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Dringende reden
De dringende reden is volgens de werkgever gelegen in het feit dat de werknemer niet in Nederland wil werken, maar vanuit Roemenië. Hoewel de werkgever de werknemer tijd heeft gegeven heeft de werknemer hardnekkig geweigerd om op het kantoor in Utrecht te verschijnen/werken.
Op grond van artikel 7:678 lid 2 sub j BW kan het hardnekkig weigeren van een redelijke opdracht een dringende reden zijn.
Persoonlijke omstandigheden
De kantonrechter is verder van oordeel dat de werkgever bij de keuze voor het ontslag op staande voet voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
De kantonrechter begrijpt dat de werknemer op het moment van het ontslag op staande voet lastige privéomstandigheden had. Zijn moeder is ziek en hij voelt zich als oudste zoon verplicht om voor haar te zorgen. Met deze omstandigheden heeft de werkgever echter voldoende rekening gehouden.
Allereerst heeft de werkgever de werknemer (onbetaald) verlof gegeven, terwijl de werknemer niet eens aan zijn werkgever had gemeld dat hij in Roemenië was gebleven na zijn vakantie. Ook heeft de werkgever geprobeerd te bemiddelen om een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen. Dit is echter niet gelukt.
Meerdere pogingen ondernomen
Vervolgens heeft de werkgever meerdere keren opgeroepen om naar Nederland te komen, een loonstop opgelegd en onderhandeld over beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De werkgever heeft dus meerdere pogingen gedaan om een minder vergaande maatregel op te leggen, maar de werknemer is blijven vasthouden aan zijn standpunt dat de werkgever hem moet faciliteren in het volledig op afstand werken vanuit Roemenië.
De persoonlijke omstandigheden, die al sinds eind juni 2024 speelden, stonden het ontslag op staande voet op 5 februari 2025 dan ook niet in de weg.
Ontslag op staande voet onverwijld gegeven
De werkgever heeft de dringende reden gelijk op 5 februari 2025 aan de werknemer meegedeeld. Dat de werknemer op 30 januari 2025 aangaf dat hij het er niet mee eens was en dat hij tegen een toekomstig ontslag juridische stappen zou nemen, maakt nog niet dat de werkgever hem op 30 januari 2025 had moeten ontslaan.
De werkgever heeft eerst 5 februari 2025 afgewacht, omdat hij deze termijn had gesteld en dit is ook de juiste zorgvuldige handelwijze. De werknemer had zich immers nog kunnen bedenken na zijn bericht van 30 januari 2025 en naar kantoor kunnen komen op 5 februari 2025. Het ontslag op staande voet is dan ook onverwijld gegeven.
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, wijst de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag af. De verzoeken tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling worden ook afgewezen.
Omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en er ook geen sprake is van een opzegging in strijd met de wet wordt het verzoek van de werknemer tot betaling van een billijke vergoeding afgewezen. Ook de gevorderde vergoeding voor onregelmatige opzegging wordt afgewezen.
Het verzoek van de werknemer om de werkgever te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wijst de kantonrechter ook af.
Werkgever mocht loon stopzetten
Verder verzoekt de werknemer betaling van het loon van € 4.315,62 per maand vanaf 1 oktober 2024 tot 5 februari 2025.
In de e-mail van 27 september 2024 heeft de werkgever duidelijk aangekondigd dat als de werknemer op 1 oktober 2024 niet in Nederland zou komen werken hij een loonstop ging opleggen. Dat de werknemer er dan toch voor koos om niet naar Nederland te komen is een keuze die in relatie tot de werkgever in redelijkheid voor zijn rekening en risico moet te blijven. De werkgever mocht dan ook het loon stopzetten.
Loon tijdens onbetaald verlof
De werknemer vordert dat hij een bedrag van € 12.502,45 niet aan de werkgever hoeft terug te betalen. De werkgever stelt dat hij een bedrag van € 7.225,77 ten onrechte aan de werknemer heeft uitbetaald tijdens de periode waarin de werknemer onbetaald verlof heeft genoten.
Het onbetaald verlof was door de werknemer te laat aangevraagd om de salarisbetaling nog te kunnen tegengehouden. De werknemer heeft niet betwist dat hij toch loon heeft ontvangen tijdens de periode van onbetaald verlof. Dit bedrag staat ook als zodanig vermeld in de e-mail van 13 december 2024 van de werkgever. De werkgever heeft dit bedrag onverschuldigd aan de werknemer betaald.
Recht op 30%-regeling?
Het resterende bedrag van € 5.276,68 betreft volgens de werkgever een correctie. Doordat de werknemer onbetaald verlof heeft opgenomen heeft hij over 2024 minder dan het minimum fiscaal jaarloon ontvangen dat nodig is om onder de 30%-regeling (expatregeling) te kunnen vallen. Daardoor is deze regeling niet op hem van toepassing en moet het volledige belastingtarief worden betaald. De werkgever heeft dus te weinig belasting ingehouden op het loon van de werknemer. De werkgever heeft een herberekening van de loonbelasting gemaakt en dit komt neer op een bedrag van € 5.276,68 dat de werkgever extra als loonbelasting had moeten inhouden.
Behalve de stelling dat de berekening niet duidelijk is, heeft de werknemer niets aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat hij wel recht zou hebben op de 30%-regeling. Hij heeft ook niet gesteld wat er dan niet aan de herberekening van de belasting zou kloppen.
Teveel en onverschuldigd betaald
De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de werkgever als gevolg van het vervallen van de 30%- regeling te weinig belasting over het salaris van de werknemer heeft afgedragen, dat hij dat alsnog moet doen en dat hij aldus een bedrag van € 5.276,68 teveel en dus onverschuldigd aan de werknemer heeft betaald.
De werknemer moet een bedrag van € 12.502,45 terugbetalen.
Rechtbank Midden-Nederland, 1 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3416


Geef een reactie