De oprichters van Four IT bleven na de aandelenovername aan als adviseurs. De koopsom bestond uit een vast bedrag van bijna €14 miljoen en een variabel deel van maximaal € 3 miljoen, de earn-out, die afhing van de winst (EBITDA) over 2022 en 2023. Als onderdeel van de betaling verstrekte de voormalige aandeelhouder een achtergestelde lening aan de koper.
Na de overname ontdekte het nieuwe bestuur van Four IT aanwijzingen voor onregelmatigheden in de administratie, met name rondom ‘strippenkaarten’ of ‘potjes’ die buiten de officiële boekhouding werden bijgehouden. Deze hadden voornamelijk betrekking op de relatie met de belangrijkste klant, KPN.
Onderzoek Grant Thornton
De kopende partijen gaven opdracht aan Grant Thornton om een onderzoek in te stellen. Uit het onderzoek van Grant Thornton kwamen volgens de kopende partijen ernstige onregelmatigheden naar voren. Er zouden tegoeden zijn gevormd door het kunstmatig ophogen van facturen aan KPN, waarna deze gelden werden gebruikt voor zaken waarvan het zakelijk karakter onduidelijk was. Hieronder vielen betalingen aan derden, de levering van artikelen voor privégebruik en de financiering van Formule 1-evenementen waaronder kosten voor familieleden van KPN-medewerkers. Ook wees het onderzoek op mogelijke belangenverstrengeling, waarbij betalingen werden gedaan aan entiteiten gelieerd aan medewerkers van KPN. Daarbij werden mogelijk interne procedures van KPN omzeild.
Op basis van de voorlopige bevindingen van Grant Thornton zette de kopende partij de managementovereenkomsten met de oprichters stop en hield de betaling van de nog resterende earn-out en de aflossing van de lening aan. De kopende partijen stelden dat de verkopende partijen inbreuk hadden gemaakt op de garanties uit de koopovereenkomst, zoals de garantie dat alle informatie juist was en dat de vennootschappen altijd aan alle wet- en regelgeving hadden voldaan. De verkopende partijen, de voormalige aandeelhouder en de oprichters, betwistten deze beschuldigingen. Zij eisten onder meer betaling van de achterstallige earn-out en de lening.
Koper: dwaling
Vooruit Groep c.s. stelt bij de rechtbank een vordering in tegen de verkopende partijen. Four IT zou hebben gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst. De voormalige aandeelhouder verstrekte onjuiste en onvolledige informatie over de bedrijven die werden verkocht. Als gevolg hiervan zouden een verlaging van de koopprijs met ongeveer € 7 miljoen en een vergoeding voor overige schade gepast zijn. Zij menen dat de verkoper heeft gegarandeerd dat alle informatie juist was en dat de bedrijven altijd aan alle regels hadden voldaan, wat volgens het onderzoek van Grant Thornton niet het geval was.
De verkopende partijen, de voormalige aandeelhouder en de oprichters, vorderen op hun beurt onder andere dat de kopende partij, Four IT Holding, wordt veroordeeld tot betaling van de volledige earn-out van drie miljoen euro. Zij eisen dat een deel daarvan direct wordt uitbetaald en dat een ander deel wordt bijgeschreven op de achtergestelde lening die de verkoper aan de koper heeft verstrekt.
Betrouwbaarheid van het Grant Thornton-onderzoek
De rechtbank Den Haag verwerpt in een tussenvonnis de bezwaren van de verkopende partijen tegen het onderzoek van Grant Thornton. Zij motiveert dit als volgt:
Het door Grant Thornton verrichte onderzoek heeft plaatsgevonden in opdracht van Four IT c.s. Dat betekent niet dat de onderzoeksresultaten om die reden buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank constateert dat uit het Eindrapport blijkt dat Grant Thornton bij de opdracht de toepasselijke gedrags- en beroepsregels en de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (VGBA), waaronder de fundamentele beginselen zoals vastgesteld door de VGBA en de praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken heeft toegepast. Die regels bieden bepaalde waarborgen voor zorgvuldig en onpartijdig onderzoek.
De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat het onderzoek procedureel onzorgvuldig is uitgevoerd. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn in het beginstadium van het onderzoek door Grant Thornton als betrokkene aangemerkt. Grant Thornton heeft hen herhaaldelijk en uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden hun zienswijze te geven en aan hen inzage verstrekt in de bevindingen. [gedaagden] c.s. hebben geen inhoudelijke reactie gegeven en hebben evenmin personen aangedragen die als betrokkene zouden moeten worden gehoord. Ook in de onderhavige procedure zijn geen verklaringen overgelegd van personen die volgens [gedaagden] c.s. als betrokkene hadden moeten worden gehoord en die een ander licht op bepaalde zaken zouden kunnen werpen. Anders dan [gedaagden] c.s. hebben aangevoerd, is het onderzoek niet gebaseerd op een beperkt aantal onbetrouwbare brondocumenten, maar op de hiervoor onder 2.11 genoemde informatie. Four IT c.s. hebben weersproken dat het Eindrapport de bedrijfsprocessen van KPN miskent. Zij hebben daarbij gewezen op het Eindrapport, waarin melding is gemaakt van het ‘3 way match’ controlesysteem van KPN. KPN heeft daarnaast in een brief van 18 december 2024 (productie 53a van Four IT c.s.) meegedeeld dat door Grant Thornton onderzochte betalingen door KPN niet zijn uitgevoerd conform het gebruikelijke orderproces en dat geen ‘3 way match’ heeft plaatsgevonden.
Aan [gedaagden] c.s. kan worden toegegeven dat Grant Thornton voorbehouden heeft gemaakt in het Eindrapport, waaronder een voorbehoud voor de mogelijkheid dat haar bevindingen onjuist of onvolledig kunnen zijn en naar aanleiding van aanvullend onderzoek zouden kunnen wijzigingen. De oplegbrief bij het Eindrapport vermeldt echter dat in het Grant Thornton ter beschikking staande onderzoeksmateriaal binnen de mogelijkheden van het onderzoek geen informatie is aangetroffen die een alternatieve interpretatie van de feiten onderbouwt. Het Eindrapport vermeldt dat Grant Thornton van mening is dat zij voldoende grondslag heeft verkregen ter onderbouwing van de in het Eindrapport opgenomen bevindingen.
[gedaagde 1] voert terecht aan dat het Eindrapport geen ‘definitieve’ conclusies en/of constateringen bevat. Dat neemt uiteraard niet weg dat de rechtbank bij de beoordeling van de vorderingen van Four IT c.s. het Eindrapport en de daarin opgenomen feitelijke bevindingen in ogenschouw kan nemen en deze aan haar oordeel ten grondslag kan leggen, voor zover deze niet of niet naar behoren gemotiveerd weersproken zijn.
Feitelijke vaststellingen: de onregelmatigheden
Op basis van het onderzoek trekt de rechtbank een aantal harde conclusies over wat er is voorgevallen. Zij stelt vast dat er binnen Four IT een stelselmatige praktijk bestond waarbij, buiten medeweten van KPN om, gelden van KPN werden gebruikt voor privédoeleinden van KPN-medewerkers en een medewerker van een andere klant. Dit gebeurde via facturering door vennootschappen van KPN-medewerkers: er werden facturen betaald aan bedrijven waar KPN-medewerkers eigenaar van waren, zonder dat duidelijk was welke diensten werden geleverd. Op privéadressen van KPN-medewerkers werden bovendien luxe goederen zoals iPhones, televisies en zelfs een barbecue geleverd, waarvan de kosten werden afgeboekt van tegoeden die door KPN waren betaald.
Naar KPN werden facturen gestuurd voor producten die nooit zijn geleverd. De opbrengst ging in een “potje”, waarna dit geld werd gebruikt om privé-uitgaven te betalen, zoals vakanties en facturen van een zeilmakerij. Ook werd de aanschaf van een Porsche Cayenne voor een van de oprichters ten onrechte ten laste van KPN gebracht. De rechtbank ziet een patroon van het kunstmatig ophogen van facturen om ruimte te creëren voor deze potjes.
De kosten voor deelname aan Formule 1-evenementen voor KPN-medewerkers werden eveneens ten laste van KPN gebracht via deze constructies. De rechtbank oordeelt dat er sterke aanwijzingen zijn dat KPN-medewerkers op kosten van KPN privé-goederen en diensten hebben ontvangen zonder dat hiervoor een zakelijke grondslag bestond.
Dwaling
De rechtbank oordeelt dat de verkopende partij haar mededelingsplicht heeft geschonden door vóór de verkoop niet te informeren over deze onregelmatigheden. De rechtbank aanvaardt het argument niet dat de koper zelf had moeten ontdekken wat er speelde; er waren geen concrete aanwijzingen die tot nader onderzoek hadden moeten leiden. Het was voorzienbaar dat deze praktijken, als ze aan het licht zouden komen, de cruciale relatie met KPN ernstig in gevaar zouden kunnen brengen. Als de koper dit had geweten, had zij de aandelen niet, of niet tegen dezelfde prijs, gekocht. Er is al met al sprake van dwaling, luidt het oordeel.
Schade moet nog worden vastgesteld
Hoewel er dus sprake is van dwaling door de verkopers, wijst de rechtbank de gevraagde schadevergoeding af. De rechtbank is het niet eens met de berekeningsmethode van de koper (volledige uitsluiting van de KPN-omzet), omdat de relatie met KPN – dankzij ingrijpen van het nieuwe bestuur – is voortgezet.
In plaats daarvan moet de schade worden bepaald door de daadwerkelijke kosten die de koper heeft moeten maken als gevolg van de misstanden. De rechtbank noemt daarbij de kosten van het Grant Thornton-onderzoek, en de kosten om de relatie met KPN te herstellen, zoals een redelijke schadevergoeding aan KPN. Ook ander nadeel, zoals eventuele reputatieschade, zal moeten worden meegerekend. De zaak wordt voorgezet om de koper in de gelegenheid te stellen deze kosten concreet te onderbouwen en te specificeren.
De vordering van de verkoper om alsnog betaling van de earn-out te ontvangen, wordt afgewezen. De rechtbank vindt niet dat er sprake is van een situatie waarin Four IT Holding de vervulling van een voorwaarde heeft belet.


Geef een reactie