Het hof oordeelt dat de voormalige CFO van de wereldwijd actieve leverancier van medische apparaten ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door een contract zodanig aan te passen dat het leek alsof dit jaren eerder was opgesteld.
Vervalst contract in corruptiezaak Sri Lanka
De zaak speelt tegen de achtergrond van een omvangrijk internationaal corruptieonderzoek rond ziekenhuisprojecten in Sri Lanka, waar Enraf-Nonius commissies van in totaal ruim 11 miljoen euro betaalde aan een lokale partner. In 2015 stelde de fiscus kritische vragen over de aftrekbaarheid van deze betalingen. De Belastingdienst twijfelde namelijk aan de echtheid van de declaraties en vermoedde dat het geld was gebruikt voor steekpenningen.
De CFO schakelde Deloitte in en liet een overeenkomst aanleveren die de betalingen moest onderbouwen. Later bleek dat dit zogenoemde Delmege-contract in 2015 was opgesteld, maar was voorzien van een datering in 2011. In september 2024 volgde een inval van de FIOD bij het bedrijf en bij de CFO thuis, in een breder strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke omkoping.
Begin 2025 werd de CFO op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelde eerder al dat dit ontslag rechtsgeldig was. In hoger beroep lag de zaak opnieuw voor.
Contract bewust aangepast richting 2011
Het hof stelt nu vast dat de CFO – als registeraccountant en financieel eindverantwoordelijke – in 2015 actief betrokken was bij het opstellen en aanpassen van het contract. Daarbij zijn formuleringen gewijzigd om de indruk te wekken dat de overeenkomst al in 2011 tot stand was gekomen, dus vóór het sluiten van de hoofdcontracten met de Sri Lankaanse overheid.
Zo werden passages over reeds gesloten contracten herschreven naar toekomstgerichte formuleringen en werden concrete data verwijderd. Volgens het hof droegen deze aanpassingen, samen met de latere datering bij ondertekening, bij aan de suggestie dat het contract uit 2011 stamde. De CFO heeft bovendien nagelaten om expliciet te vermelden dat het document pas in 2015 was opgesteld als vastlegging van eerdere afspraken.
Het contract werd via Deloitte doorgestuurd naar de Belastingdienst, zonder nadere toelichting. Het hof benadrukt dat de fiscus juist expliciet had gevraagd naar de aard en onderbouwing van de commissies, mede met het oog op mogelijke omkoping. In dat licht moest het de CFO duidelijk zijn dat dit document een cruciale rol zou spelen.
Verspreiding richting aandeelhouder en financiers
Het hof rekent het de CFO ook aan dat hij het contract later opnieuw als een overeenkomst uit 2011 heeft gepresenteerd. In 2024, na de inval van de FIOD, stuurde hij het document aan de nieuwe eigenaar Zimmer MedizinSysteme GmbH met de mededeling dat het in 2011 was ondertekend. Het contract werd ook gedeeld met onder meer Rabobank en kredietverzekeraar Atradius.
Ernstig verwijtbaar handelen
Volgens het hof heeft de CFO door zijn handelwijze het risico genomen dat de Belastingdienst op basis van een onjuiste voorstelling van zaken zou beslissen over de aftrekbaarheid van de commissies. Dat risico was voorzienbaar en heeft zich deels ook verwezenlijkt, nu het bedrijf strafrechtelijk wordt onderzocht en reputatieschade heeft opgelopen.
Dat de CFO stelt dat de inhoud van het contract overeenkwam met daadwerkelijk gemaakte afspraken, maakt dit niet anders. Juist omdat het contract pas jaren later werd opgesteld, had hij daarover volledige transparantie moeten betrachten.
Het hof kwalificeert het handelen als ernstig verwijtbaar. Van een CFO en registeraccountant mag, zeker in een dossier met grote fiscale en integriteitsrisico’s, een hoog niveau van zorgvuldigheid worden verwacht. Door ook na de FIOD-inval geen openheid van zaken te geven, heeft hij het vertrouwen van de werkgever definitief geschaad.
Het hof concludeert “dat de in de ontslagbrief opgenomen ontslaggronden feitelijk juist zijn. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld door zowel tegenover Deloitte/de Belastingdienst als tegenover Zimmer de suggestie te wekken dat het Delmege contract dateert uit 2011. Daarbij gaat het dus niet erom dat [verzoeker] (slechts) over het hoofd zou hebben gezien dat [directeur 1] en [directeur 3] een onjuiste datum onderaan het contract hebben vermeld. Het verwijt dat [verzoeker] kan worden gemaakt is dat hij het contract zo heeft aangepast dat uit de bewoordingen daarvan niet (meer) bleek dat het contract pas in 2015 is opgesteld en dat hij er niet voor heeft gezorgd dat de onjuiste suggestie dat het ging om een in 2011 opgestelde overeenkomst, werd weggenomen. Gezien de functie van [verzoeker] bij Enraf-Nonius kan hem hiervan een ernstig verwijt worden gemaakt. [verzoeker] had moeten begrijpen dat de antedatering van het contract ertoe zou kunnen leiden dat de Belastingdienst op grond van een onjuiste voorstelling van zaken een beslissing zou nemen. Bovendien had hij zich moeten realiseren dat het fabriceren en antedateren van een contract op enig moment voor andere, aanzienlijke problemen zou kunnen zorgen.”
Ontslag blijft in stand, geen vergoedingen
De gedragingen vormen volgens het hof een dringende reden voor ontslag op staande voet:
“Beoordeeld moet worden of de gedragingen van [verzoeker] van dien aard zijn dat van Enraf-Nonius niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. Het hof is van oordeel dat dat het geval is. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze grote risico’s genomen voor Enraf-Nonius. Zo bestond er het risico op fiscale naheffingen, boetes en reputatieschade. Anders dan [verzoeker] aanvoert, is daarbij niet van belang dat er – naar hij stelt – inmiddels geen risico meer is op naheffingen bij Enraf-Nonius, omdat dit niet wegneemt dat dat risico wel degelijk heeft bestaan.
De hiervoor genoemde risico’s hebben zich inmiddels (deels) gematerialiseerd. Enraf-Nonius wordt namelijk strafrechtelijk vervolgd en wordt in de pers met naam en toenaam in verband gebracht met corruptie en omkoping. Die risico’s had [verzoeker] in 2015 moeten voorzien omdat hem duidelijk moet zijn geweest dat de Belastingdienst vragen stelde over de fiscale aftrekbaarheid van een aanzienlijk bedrag aan de commissies in verband met de mogelijkheid dat deze commissies al dan niet ten dele bestemd waren voor omkoping. Als financieel eindverantwoordelijke van Enraf-Nonius had van [verzoeker] een hoog niveau van integriteit mogen worden verwacht. Door over zo’n belangrijk onderwerp in 2024 – na de inval van de FIOD – geen openheid van zaken te geven, kan Enraf-Nonius ook niet langer vertrouwen op de uitlatingen van [verzoeker] . Zijn handelwijze maakt dat het voor Enraf-Nonius onhoudbaar is om hem in dienst te houden. Daaraan doet niet af dat [verzoeker] zich bijna dertig jaar voor de onderneming heeft ingezet en altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en dat het strafrechtelijke onderzoek, dat nog steeds aan de gang is, (ook) voor hem aanzienlijke negatieve gevolgen heeft. Van Enraf-Nonius kon niet worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer liet voortduren, ongeacht de uiteindelijke uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek.“
Ook het verweer dat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven, wordt verworpen. De werkgever mocht eerst nader onderzoek doen, onder meer naar aanleiding van signalen van forensisch accountantskantoor Ebben.
De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en de RA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hieruit volgt dat er geen grond is voor het toewijzen van een billijke vergoeding of een gefixeerde schadevergoeding. De vordering van Enraf-Nonius tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding door de CFO, is volgens het hof door de kantonrechter terecht toegewezen nu de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt te wijten is aan schuld van de accountant.
In hoger beroep betoogde de CFO dat hem ten onrechte een transitievergoeding is onthouden. Volgens hem was geen sprake van kwade opzet: hij erkende dat het hem “dwars zit” dat hij de datum onder het Delmege-contract niet heeft gezien, maar stelde dat hooguit sprake was van naïviteit en onoplettendheid, niet van bewust handelen om mogelijke omkoping te verhullen. Daarbij wees hij erop dat het FIOD-onderzoek naar eventuele corruptie nog loopt en dat daarop niet kan worden vooruitgelopen.
Het hof volgt dat betoog niet. Het benadrukt dat het verwijt niet ziet op het enkele missen van een onjuiste datum, maar op het feit dat de CFO het contract zó heeft aangepast dat het de indruk wekte dat het al in 2011 was opgesteld. Daarmee heeft hij, aldus het hof, zowel richting Deloitte en de Belastingdienst als richting aandeelhouder Zimmer de suggestie gewekt dat sprake was van een overeenkomst uit 2011. Gezien zijn positie als CFO en registeraccountant levert dat ernstig verwijtbaar handelen op. Of daadwerkelijk sprake is geweest van omkoping, en of de CFO daarbij betrokken was, laat het hof uitdrukkelijk in het midden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de ontslaggrond. Ook het beroep op de redelijkheid en billijkheid faalt. Dat de CFO een lang en verder vlekkeloos dienstverband had, maakt volgens het hof niet dat hem alsnog (gedeeltelijk) een transitievergoeding toekomt, nu de kern van het verwijt ziet op het creëren en in stand laten van een misleidende voorstelling van zaken en niet op een enkele onoplettendheid.
Op één punt krijgt de CFO wel gelijk: een onkostenvergoeding van € 378,51 wordt alsnog toegewezen, omdat voldoende aannemelijk is dat dergelijke kosten binnen het bedrijf gebruikelijk werden vergoed.
Voor het overige bekrachtigt het hof de eerdere beschikking en wordt de CFO veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:535


Geef een reactie